**1.** Een kredietinstelling met zetel buiten de openbare lichamen, die in de openbare lichamen door middel van een bijkantoor het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, is vrijgesteld van de navolgende onderdelen van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES:
artikel 6 juncto artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met c en f tot en met k;
hoofdstuk IV, met uitzondering van de artikelen 12, 16 en 17;
hoofdstuk V, paragrafen 3 en 4, met uitzondering van de artikelen 25 tot en met 26a.
**2.** De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
de kredietinstelling beschikt over een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling, verleend door de bevoegde autoriteit van het land of de staat waar zij haar zetel heeft;
de kredietinstelling zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, en
de som van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito's per ultimo van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan USD 90 miljoen bedraagt.
**3.** Een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid die niet meer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid, meldt dit terstond aan De Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid om binnen een door haar vast te stellen redelijke termijn alsnog aan de voorwaarden te voldoen dan wel haar activiteiten onder te brengen in een in de openbare lichamen gevestigde of te vestigen rechtspersoon of deze af te wikkelen.
§ 3
Artikel 7
(vrijstellingen bijkantoren van kredietinstellingen)
Onderdeel van Overgangs- en vrijstellingsregeling financiële markten BES· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2011