Naar hoofdinhoud

Artikel II

Artikel II

Onderdeel van Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010

1. De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, eerste lid, werkt niet verder terug dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet, indien het Nederlanderschap voor dat tijdstip is verleend. 2. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onder f, en artikel 8, tweede lid, wordt hij wiens Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, juncto het eerste lid van dit artikel, niet geacht het Nederlanderschap te hebben bezeten. RWN: artikelen 6.1f; 8.2 en 14.1 Indien vóór inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt artikel II RRWN. Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer. Op grond van het tweede artikellid heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie afleggen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en komt evenmin in aanmerking voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel ‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (…) heeft bezeten’. Voor de toepassing van laatstbedoelde bepalingen wordt hij geacht het Nederlanderschap niet te hebben bezeten. N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde. Zie ook de toelichting bij artikel 14 RWN.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel