In afwijking van artikel 4.1 is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van:
de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, indien hij om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.
de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, indien hij ontheven is van de legesverplichting voor de behandeling van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf, voorafgaande aan de ingediende aanvraag.
de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, in een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6, van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, indien deze vreemdeling om ontheffing van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en daarbij aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.
de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, welke is verleend is voor het verblijfsdoel ’uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM’, indien deze vreemdeling om ontheffing van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en daarbij aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.