Naar hoofdinhoud

Titel II › afdeeling Eerste

Artikel 209

Artikel 209

Onderdeel van Faillissementswet BES· Insolventierecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. Ten bepaalden dage hoort de rechter in eersten aanleg den schuldenaar, de bewindvoerders en de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeischers. Iedere schuldeischer is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen. 2. De rechter in eersten aanleg kan den schuldenaar definitief surséance verleenen, tenzij zich daartegen verklaren hetzij houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde, in artikel 223 bedoelde, schuldvorderingen, hetzij meer dan één derde der houders van zoodanige vorderingen. 3. Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de rechter in eersten aanleg. 4. Surséance wordt niet definitief verleend, indien er gegronde vrees bestaat, dat de schuldenaar zal trachten de schuldeischers tijdens de surséance te benadeelen of het vooruitzicht niet bestaat, dat hij na verloop van tijd zijne schuldeischers zal kunnen bevredigen. 5. De rechter in eersten aanleg, het verzoek afwijzende, kan bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de voorloopig verleende surséance gehandhaafd tot de beschikking van den rechter in eersten aanleg in kracht van gewijsde is gegaan. 6. Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling. 7. De beschikking op het verzoek is met redenen omkleed en wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting. Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel