Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Regeling voor lopende verzekeringen

Onderdeel van Erfbelasting, fictieve verkrijging, levensverzekering en derdenbeding, premiesplitsing· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 22 december 2010

Bij een lopende verzekering met een premiesplitsing die niet voldoet aan de voorwaarden, zal de overlijdensuitkering in de heffing van erfbelasting worden betrokken. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) goed dat verzekeringen die zijn gewijzigd vóór 1 juli 2000, voor de heffing van erfbelasting worden beoordeeld aan de hand van de toen gewijzigde polisvoorwaarden. Een gedagtekend aanvraagformulier dat door alle premieplichtigen is ondertekend is in dit kader niet vereist. Voor de beoordeling van de vraag of voor de overlijdensuitkering sprake is van een onttrekking aan het vermogen van de erflater geldt de premiesplitsing zoals deze geldt na de wijziging. Verrekening van premie is in dit geval niet nodig. De goedkeuring geldt voor de volgende gevallen. Dit betreft de volgende situatie. Uit de polis of een bijbehorend clausuleblad blijkt dat de partijen hebben beoogd de premie voor de overlijdensuitkering ten laste te laten komen van een andere persoon dan de verzekerde. Partijen zijn wel overeengekomen dat die andere persoon de premie van de overlijdensuitkering zal betalen en hebben zo ook gehandeld. De verschuldigdheid van de premie door die persoon was echter niet goed geregeld. Voor deze situatie keur ik goed dat de overeenkomst van levensverzekering op het punt van de verschuldigdheid geacht wordt vanaf het moment van aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst juist te zijn geredigeerd. De overeenkomst moet vóór 1 juli 2000 zodanig zijn gewijzigd dat de verschuldigdheid van de premie voor alle premieplichtigen blijkt uit de polis of een bij de polis behorend clausuleblad. De partijen bij een overeenkomst van levensverzekering zijn blijkens de polis of een bijbehorend clausuleblad een onjuiste premiesplitsing overeengekomen. Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) goed dat, bij aanpassing vóór 1 juli 2000 naar een juiste premiesplitsing, de premiesplitsing voor de overeenkomst van levensverzekering wordt geacht vanaf het moment van aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst juist te zijn geredigeerd. Als voor een overeenkomst van levensverzekering zowel de premieverschuldigdheid als de premiesplitsing niet goed was geregeld gelden beide goedkeuringen. Bij aanpassing ná 1 juli 2000 geldt de overgangsregeling van onderdeel 6.1 niet. Hierop gelden de volgende uitzonderingen: Lopende winstdelende verzekeringen die vóór 1 juli 2000 zijn afgesloten. Als de premie voor de hoofdverzekeringsvorm correct is gesplitst, met uitzondering van de winstdeling, geldt het volgende. Aanpassing hoeft pas plaats te vinden op het moment dat de verzekering een wijziging (mutatie) ondergaat. Lopende spaarhypotheekverzekeringen die vóór 1 juli 2000 zijn afgesloten. Aanpassing hoeft pas plaats te vinden bij de eerste renteherziening of andere mutatie. Indien een hiergenoemde winstdelende- of spaarhypotheekverzekering door overlijden van de verzekerde tot uitkering komt vóórdat een renteherziening mogelijk was of andere mutatie heeft plaatsgevonden zal voor de heffing van erfbelasting gehandeld worden alsof de verzekering was aangepast aan de eisen voor premiesplitsing. Als tot 1 juli 2000 geen premiesplitsing was overeengekomen en men alsnog een premiesplitsing wenst overeen te komen, geldt geen overgangsregeling. Ook voor situaties waarin het huwelijksgoederenregime of het samenlevingscontract ‘de constructie niet kan dragen’ geldt er geen overgangsregeling. Bij aanpassing van het huwelijksgoederenregime of samenlevingscontract gelden de algemene uitgangspunten voor de beoordeling of er een onttrekking aan het vermogen van de erflater was.

Rechtspraak bij dit artikel