In de Beleidsregel is beschreven in welke gevallen een waardebewijs of een deelnemingsrecht al dan niet verhandelbaar is.
De uitleg van het begrip verhandelbaarheid is van belang bij het bepalen of een waardebewijs of deelnemingsrecht een ‘effect’ in de zin van de Wft is. Het antwoord op de vraag ‘verhandelbaar of niet?’ bepaalt of een daartoe bevoegde toezichthouder het prospectus moet goedkeuren volgens hoofdstuk 5.1 van de Wft en daarmee of het kapitaalmarkttoezicht van toepassing is.
Voor closed-end beleggingsinstellingen is de vraag ‘verhandelbaar of niet’ relevant om te bepalen welke bepalingen uit de Wft, en daarmee welk regime, van toepassing is op het prospectus. Het onderscheid tussen verhandelbare en niet-verhandelbare participaties van closed-end beleggingsinstellingen leidt tot toepasselijkheid van de volgende wettelijke bepaling:
verhandelbare participaties van een closed-end beleggingsinstelling zijn effecten en vallen onder de reikwijdte van de prospectusrichtlijn1 Richtlijn 2003/71 EG van 4 november 2003 (PbEU L345).en artikel 5:2 (hoofdstuk 5.1) Wft; of
niet-verhandelbare participaties van closed-end beleggingsinstellingen vallen onder de reikwijdte van artikel 4:49 Wft, waardoor de beheerder op de website een prospectus beschikbaar moet hebben dat voldoet aan de eisen van artikel 4:49 Wft. Voor dit soort participaties geldt hetzelfde prospectusregime als voor open-end belegginginstellingen.
De AFM gaat uit van een ruime, economische benadering van het begrip verhandelbaarheid. Alle constructies waarbij het economische belang van een gestandaardiseerd waardebewijs of deelnemingsrecht middellijk of onmiddellijk wordt of kan worden overgedragen aan een derde, beschouwt de AFM als verhandelbare waardebewijzen of deelnemingsrechten. Of sprake is van verhandelbaarheid volgt uit het stroomschema.
Artikel 1
Samenvatting
Onderdeel van Beleidsregel verhandelbaarheid· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 15 februari 2011