In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen (artikel 2, derde lid, van de Wet Bpf 2000). Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn ongeorganiseerden niet gebonden aan arbitrale bedingen in de pensioenregeling van het bpf.
Een bpf heeft een statutaire werkingssfeer. Het hoeft echter niet deze hele statutaire werkingssfeer te zijn waarvoor de verplichtstelling geldt. De verplichtstelling kan ook worden aangevraagd voor een deel van die statutaire werkingssfeer.
Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door sociale partners. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Ongeorganiseerden moeten kunnen begrijpen of zij, in het geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in het verplichtgestelde bpf.
De beoordeling van de representativiteit van de sociale partners die een aanvraag in het kader van de Wet Bpf 2000 indienen is ook gekoppeld aan de omschreven werkingssfeer van de verplichtstelling.
Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, benoemen sociale partners de bedrijfsactiviteiten die toebehoren aan de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd. Een aanvraag voor verplichtstelling kan zich richten op één of meerdere bedrijfstakken binnen een bpf of op een deel van een bedrijfstak. Dit moet uit de omschreven werkingssfeer blijken.
De bedrijfsactiviteiten moeten duidelijk worden omschreven. Sociale partners kunnen aangeven hoe wordt omgegaan met ondernemingen die slechts voor een deel de in de werkingssfeer omschreven bedrijfsactiviteiten uitoefenen.
Ter verduidelijking van de afbakening ten opzichte van andere bpf-en, bedrijfstakken of ook ondernemingspensioenfondsen kunnen namen van bedrijven worden opgenomen, bijvoorbeeld om te bepalen of een bedrijf in verband met een variëteit aan bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer valt.
Enkel een opsomming van namen van bedrijven ter omschrijving van de werkingssfeer voldoet niet aan de eisen. Gedachte achter een verplichtstelling is dat deelname verplicht is voor een bepaalde bedrijfstak. Nieuwkomers in de bedrijfstak moeten ‘automatisch’ onder de werkingssfeer vallen en bedrijven die bedrijfsactiviteiten gaan verrichten in een andere bedrijfstak moeten ‘automatisch’ buiten de werkingssfeer vallen, zonder dat de verplichtstelling gewijzigd hoeft te worden. Dit is bij een werkingssfeer op basis van een opsomming van namen van bedrijven niet mogelijk.
Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaalde wet, besluit of regeling, dan moet deze worden gefixeerd. Dit betekent dat een jaartal en publicatienummer van de Staatscourant of het Staatsblad zijn opgenomen. Een verwijzing naar een cao voor de omschrijving van dewerkingssfeer is niet mogelijk. Indien eenzelfde werkingssfeer als een bepaalde cao gewenst wordt, zal in plaats van een verwijzing de werkingssfeer van die cao uitgeschreven moeten worden in de werkingssfeer van de verplichtstelling. Wanneer voor de maximumleeftijd voor beëindiging van de deelname in het pensioenfonds verwezen wordt naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet is het opnemen van een fixatie niet vereist.
Uit de werkingssfeer moet ook blijken wie van de in de bedrijfstak werkzame personen als deelnemer in het pensioenfonds verplicht worden deel te nemen. Daarom moet worden omschreven, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, hoe hoog die is. Verder moet de maximumleeftijd voor beëindiging van de deelname in het pensioenfonds worden opgenomen. Bij verwijzing naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zal de maximumleeftijd automatisch meebewegen met het tijdpad dat daarin is opgenomen. Ook moet aangegeven worden welke werkzame personen het betreft, bijvoorbeeld werknemers in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) of in de zin van de werknemersverzekeringen. Personen die in een andere hoedanigheid in de bedrijfstak werkzaam zijn, kunnen ook onder de werkingssfeer van een bpf vallen. Indien dit van toepassing is, moet worden gedefinieerd welke personen worden bedoeld.
Het is mogelijk dat de werkingssferen van twee verschillende bedrijfstakpensioenfondsen elkaar overlappen. Zo’n overlap van werkingssferen komt meestal aan het licht via ingediende zienswijzen. Wanneer deelname in een van de betrokken bpf-en al verplichtgesteld is zal dit er toe leiden dat een later ingediende aanvraag om verplichtstelling daarvan afgebakend moet worden.
Wanneer tegelijkertijd twee aanvragen om een verplichtstelling of een wijziging van een verplichtstelling zijn ingediend, waarbij sprake is van een overlapping in de werkingssfeer van de betreffende bpf-en, dan worden beide aanvragen aangehouden.
In het geval van overlapping van werkingssfeer zullen de bij die bpf-en betrokken sociale partners zelf een oplossing moeten vinden. De werkingssfeer wordt immers vastgesteld door sociale partners. De Minister van SZW heeft met de omschrijving van de werkingssfeer geen bemoeienis.
Een besluit tot verplichtstelling kan pas genomen worden wanneer de werkingssferen door sociale partners bij debetrokken bpf-en zijn afgebakend. Het moet uit het oogpunt van rechtszekerheid duidelijk zijn in welk bpf de ongeorganiseerde verplicht is deel te nemen.
Het is mogelijk dat de (te wijzigen) werkingssfeer van een verplichtgesteld of verplicht te stellen bpf overlap vertoont met de werkingssfeer van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling, waar het de beroepsgenoten in loondienst betreft. Dit blijkt meestal uit zienswijzen maar kan ook blijken uit de aanvraag om verplichtstelling. Partijen bij het bpf zullen de werkingssfeer dan zo moeten omschrijven dat de overlap met de beroepsgenoten in loondienst, die al onder een verplichtstelling vallen, wordt weggenomen.
Indien overlap wordt geconstateerd bij twee gelijktijdig in behandeling zijnde aanvragen, de een in het kader van de Wet Bpf 2000 en de ander in het kader van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, worden beide aanvragen aangehouden. Aanvragers zullen worden verzocht een oplossing te vinden voor de overlap bij gebreke waarvan niet tot besluitvorming kan worden overgegaan.
Artikel 2
Reikwijdte van de verplichtstelling
Onderdeel van Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2012