Naar hoofdinhoud

Artikel 3.1

Representativiteit

Onderdeel van Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2012

Een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een voldoende representatieve vertegenwoordiging van sociale partners in de bedrijfstak waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. In de artikelen 2, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, tweede en derde lid, van de Wet Bpf 2000 wordt dit geformuleerd als het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt. Reden hiervoor is dat een besluit in het kader van de verplichtstelling grote gevolgen heeft voor een bedrijfstak, in beginsel voor onbepaalde tijd. Voldoende draagvlak binnen de bedrijfstak voor een dergelijk besluit is daarom van belang. Mede vanwege de grote betekenis van een dergelijk besluit voor een bedrijfstak, moet het bij een aanvraag om verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000 gaan om een gezamenlijke aanvraag van werkgevers en werknemers, ‘het georganiseerde bedrijfsleven in de bedrijfstak’. Bij de beoordeling van de representativiteit wordt daarom zowel gekeken naar de werkgevers- als naar de werknemerspartijen. Dit is anders dan bij een verzoek om avv. Dat kan op basis van de wet worden ingediend door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen van werkgevers of werknemers. De representativiteit in het kader van de Wet Bpf 2000 wordt beoordeeld ten aanzien van de werkingssfeer waarvoor verplichtstelling, wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking wordt gevraagd. In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf zal per bedrijfstak de representativiteit beoordeeld worden. Sociale partners hebben bij de omschrijving van de werkingssfeer de mogelijkheid om bepaalde categorieën werknemers of bedrijven van de werkingssfeer uit te zonderen. Deze vallen dan buiten de werkingssfeer van het bpf en buiten het besluit tot verplichtstelling en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling van de representativiteit. Op basis van artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000, is het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Stb. 2000, 633) tot stand gekomen. Op grond daarvan is het op bepaalde gronden mogelijk door het bpf te worden vrijgesteld van verplichte deelname. De vrijgestelden blijven echter onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen en worden daarom wel meegenomen in de beoordeling van de representativiteit. De mate van representativiteit wat betreft de werkgeverspartijen wordt conform avv-beleid berekend: aantal werknemers in dienst van de verzoekende, georganiseerde werkgevers in (deel van) bedrijfstak1(indien van toepassing inclusief de personen die in een andere hoedanigheid werkzaam zijn in (het afgebakende deel van) de bedrijfstak). ______________________________________________________________________________ x 100% aantal werknemers in (deel van) bedrijfstak1(indien van toepassing inclusief de personen die in een andere hoedanigheid werkzaam zijn in (het afgebakende deel van) de bedrijfstak). Er zal ook worden gekeken of de werkgeversorganisaties statutair bevoegd zijn voor de betreffende bedrijfstak arbeidsvoorwaarden af te spreken. Het feit dat een aanvraag tot verplichtstelling moet worden ingediend door representatieve werkgevers(organisaties) samen met werknemersorganisaties maakt in beginsel voldoende duidelijk dat ook steun voor de aanvraag bestaat bij werknemers. Waar het werknemersorganisaties betreft, wordt van ’voldoende representatief zijn’ uitgegaan als de betrokken werknemersorganisaties op grond van hun statuten bevoegd zijn tot het maken van afspraken over arbeidsvoorwaarden in de bedrijfstak die het betreft. Indien echter tegen de representativiteit van werknemersorganisaties zienswijzen worden ingediend zal, conform de toetsing zoals die voorheen door de SER geschiedde, door de Stichting van de Arbeid gekeken worden naar de organisatiegraad bij betrokken werknemersorganisaties in relatie tot de organisatiegraad bij de overige werknemersorganisaties die in de bedrijfstak actief zijn. Bij het vaststellen of voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Er is sprake van een belangrijke meerderheid wanneer de berekening van de representativiteit leidt tot een uitkomst van ten minste 60%. Wanneer sprake is van een meerderheid tussen de 55% en 60% wordt dit ook als belangrijke meerderheid gekwalificeerd, tenzij het draagvlak voor de verplichtstelling binnen de werkingssfeer van het bpf gering is of als sprake is van een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen de werkingssfeer. Een gering draagvlak kan onder andere blijken uit het feit dat niet alle werknemersorganisaties betrokken bij het bpf de aanvraag om verplichtstelling ondersteunen, of uit zienswijzen tegen de verplichtstelling. Van een zeer scheve spreiding kan sprake zijn wanneer de werkingssfeer van een bpf meerdere sectoren omvat en een aanvraag tot verplichtstelling voornamelijk op basis van representativiteit van een of meerdere werkgeversorganisaties die slechts een deel van de totale werkingssfeer vertegenwoordigen wordt gevraagd, of wanneer de verhouding grote en kleine bedrijven binnen de werkingssfeer van het bpf niet evenredig bij de verzoekende werkgeversorganisaties is terug te vinden. In het geval van een meerderheid tussen de 50% en 55% zal in beginsel geen verplichtstelling plaatsvinden, tenzij er naar het oordeel van de Minister van SZW sprake is van bijzondere omstandigheden. Beneden de 50% is geen sprake van een meerderheid en kan verplichtstelling niet plaatsvinden. De beoordeling van de tweede en derde categorie is maatwerk en hangt af van de omstandigheden in het betreffende geval. Bij de opgave van de representativiteit dienen de aantallen te worden vermeld van: de werknemers in dienst van de georganiseerde werkgevers; de werkgevers die lid zijn van de bij de aanvraag betrokken werkgeversorganisatie(s); alle werknemers in de bedrijfstak waarop het verplichtstellingverzoek betrekking heeft; alle werkgevers in de bedrijfstak waarop het verplichtstellingverzoek betrekking heeft; indien er ook personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak binnen de verplichtstelling vallen, zullen ook die aantallen vermeld moeten worden. De opgegeven aantallen dienen van recente datum te zijn. De gegevens zouden op het moment van inzending in beginsel niet ouder dan één jaar mogen zijn. Bij een aanvraag in het kader van de verplichtstelling zal, net als bij verzoeken om avv, een nadere toelichting gegeven moeten worden op de manier waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld. De toelichting bevat in ieder geval: een opgave van de gebruikte bronnen voor de opgegeven aantallen werknemers in dienst van georganiseerde werkgevers en het aantal werkgevers dat lid is van de betrokken werkgeversorganisatie(s) en voor de aantallen werknemers en werkgevers werkzaam in de bedrijfstak. Indien de werkingssfeer van het bpf zich ook uitstrekt over personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak, dient deze opgave ook melding te maken van de gebruikte bronnen voor deze specifieke groep; een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; een opgave van de wijze van meting; een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het bpf of deel van het bpf waarop de aanvraag om verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan betrekking heeft. Daarbij moet ook duidelijk zijn dat de in de werkingssfeer uitgesloten categorieën werknemers in de tellingen buiten beschouwing gelaten zijn. Wanneer het bij de aanvraag slechts om een deel van de werkingssfeer gaat of om één van de bedrijfstakken in het geval van een bpf met meerdere bedrijfstakken, dan dient de opgave van de aantallen werknemers en werkgevers (op grond waarvan de representativiteit wordt vastgesteld) betrekking te hebben op de werkingssfeer van het deel van de bedrijfstak of de bedrijfstak waarop de aanvraag zich richt. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een assurancerapport van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, die daartoe is gecertificeerd, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd. Indien de werkingssfeer van het bpf zich ook uitstrekt over personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak, dient deze opgave apart melding te maken van de aantallen van deze specifieke groep, en van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen zoals die moet worden meegezonden met de hierboven genoemde toelichting. De eisen aan de opgave van de representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Ten minste éénmaal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat. Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling – een belangrijke meerderheid van het bedrijfsleven in de bedrijfstak ondersteunt de verplichtstelling – gewaarborgd wordt. De periodieke toets betreft de meting van de representativiteit op dezelfde manier, met dezelfde criteria en (vorm)vereisten, als in paragraaf 3.1.a.beschreven. Bij het verzoek van de Minister van SZW om aan te tonen dat nog steeds sprake is van een belangrijke meerderheid zullen de criteria worden vermeld en zal een checklist representativiteit worden meegezonden. In de periodieke toets wordt een meerderheid van ten minste 60% als belangrijk gekwalificeerd. Wanneer sprake is van een meerderheid tussen de 55% en 60% is dit in de periodieke toets ook een belangrijke meerderheid, tenzij het draagvlak voor de verplichtstelling binnen de werkingssfeer van het bpf gering is of als sprake is van een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen de werkingssfeer. Zie hiervoor ook paragraaf 3.1.a. onder ‘Vereiste van een belangrijke meerderheid’. Een percentage beneden de 55% leidt tot een herhalingstoets na twee jaar. Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid van ten minste 60% dan wordt die als belangrijk gekwalificeerd. Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid tussen de 55% en 60% is dit ook een belangrijke meerderheid, tenzij het draagvlak voor de verplichtstelling binnen de werkingssfeer van het bpf gering is of als sprake is van een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen de werkingssfeer. Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid tussen de 50% en 55% zal in beginsel de verplichtstelling worden ingetrokken, tenzij er naar het oordeel van de Minister van SZW sprake is van bijzondere omstandigheden. Wanneer bij de herhalingstoets sprake is van een percentage beneden de 50% zal de verplichtstelling worden ingetrokken, waarbij de Minister van SZW rekening zal houden met de rechten van de deelnemers en gewezen deelnemers. De periodieke toets op de representativiteit kent geen procedure op grond waarvan derden zienswijzen kunnen indienen. Wel kan in het geval van de periodieke toets op representativiteit overleg met de Stichting van de Arbeid plaatshebben, in het bijzonder wanneer sprake is van onduidelijkheid over de representativiteit. Indien niet wordt voldaan aan het vereiste van een belangrijke meerderheid, zal de procedure als omschreven in paragraaf 4f worden gevolgd. Iedere keer dat een verplichtstelling is opgelegd dan wel gewijzigd, en waarbij de representativiteit is vastgesteld, begint de termijn van vijf jaar voor de periodieke toets opnieuw te lopen. Indien geen wijziging van de verplichtstelling plaatsvindt, zal vijf jaar na de vorige periodieke toets of in het geval van een noodzakelijke herhalingstoets, vijf jaar na die herhalingstoets, de representativiteit opnieuw getoetst worden. In het geval dat bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets op representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal de procedure zoals hierna beschreven in paragraaf 4f worden gevolgd. Indien meerdere afgebakende bedrijfstakken onderdeel uitmaken van één bpf, zal de vijfjaarstermijn voor de diverse bedrijfstakken afzonderlijk worden vastgesteld. De uitgangspunten voor het vaststellen van de aanwezigheid van een belangrijke meerderheid zijn hier dezelfde als in het geval van aanvraag, wijziging en intrekking van een verplichtstelling. De Minister van SZW zal 8 weken voor het verstrijken van de vijfjaarstermijn (via het verplichtgestelde bpf) aan de sociale partners betrokken bij het verplichtgestelde bpf verzoeken op juiste en volledige wijze binnen 8 weken aan te tonen dat nog steeds wordt voldaan aan het representativiteitsvereiste. Uit de Wet Bpf 2000 blijkt dat de termijn van 8 weken voor het aantonen van de representativiteit niet vrijblijvend is. Het niet voldoen aan de termijn leidt immers tot plaatsing in de Staatscourant en tot een herhalingstoets. In het verzoek van de Minister van SZW wordt aangegeven op welke wijze de representativiteit moet worden aangetoond. Als hulpmiddel zal daartoe een checklist worden meegestuurd waarin een opsomming wordt gegeven van de eisen die aan de gegevens gesteld worden (zie hiervoor: ‘Eisen aan de representativiteitsgegevens’ in paragraaf 3.1.a.). De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een assurancerapport van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, die daartoe is gecertificeerd, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd. In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf moet periodiek per bedrijfstak de representativiteit worden aangetoond. Daarbij kan een verschillend moment voor de verschillende bedrijfstakken van het bpf aan de orde zijn. Dit is afhankelijk van tussentijdse wijzigingen in de werkingssfeer. Indien die slechts betrekking heeft op één bedrijfstak, is alleen voor die bedrijfstak de representativiteit aangetoond en een nieuwe periode van vijf jaar gestart. In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf mag de representativiteit van al die bedrijfstakken tegelijkertijd worden aangetoond op het eerste moment waarop voor één (of meerdere) van de bedrijfstakken van het bpf het verzoek van de Minister van SZW in het kader van de vijfjaarstoets wordt ontvangen. Voor alle bedrijfstakken begint dan gelijktijdig een nieuwe periode van vijf jaar te lopen. Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Indien partijen binnen 8 weken na het verzoek aantonen te voldoen aan het vereiste van representativiteit, dan stelt de Minister van SZW betrokkenen hiervan op de hoogte. Indien partijen binnen 8 weken na het verzoek niet aantonen te voldoen aan het vereiste van representativiteit, dan doet de Minister van SZW in de Staatscourant de mededeling dat niet is aangetoond dat voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid. Ook worden betrokkenen hiervan op de hoogte gesteld. 8 weken voor het verstrijken van de twee jaar na deze melding in de Staatscourant, zal aan betrokken partijen opnieuw worden gevraagd aan te tonen dat ze voldoen aan het representativiteitsvereiste. Wanneer in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets echter is aangetoond dat wel voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid, begint vanaf dat moment een nieuwe vijfjaarstermijn te lopen en komt de herhalingstoets te vervallen. Het tussentijds aantonen van een belangrijke meerderheid kan spontaan door de betrokken partijen gebeuren, maar ook in het kader van een wijziging van de verplichtstelling in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets. Betrokkenen zullen over het voldoen aan het aantonen van de belangrijke meerderheid door de Minister van SZW worden geïnformeerd. Indien de herhalingstoets opnieuw aantoont dat niet wordt voldaan aan de representativiteitseis zal overgegaan worden tot intrekking van de verplichtstelling volgens de procedure zoals beschreven in paragraaf 4f. Het niet voldoen aan de periodieke toets in het geval van meerdere bedrijfstakken, zal leiden tot intrekking van het deel van de verplichtstelling waarvoor niet langer een voldoende representatief georganiseerd bedrijfsleven aanwezig is. Indien partijen binnen 8 weken na het verzoek aantonen te voldoen aan het vereiste van representativiteit, dan stelt de Minister van SZW betrokkenen hiervan op de hoogte. Indien partijen binnen 8 weken na het verzoek niet aantonen te voldoen aan het vereiste van representativiteit, dan meldt de Minister van SZW in de Staatscourant dat niet is aangetoond dat voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid en worden betrokkenen hiervan op de hoogte gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel