Naar hoofdinhoud

Artikel 4

De procedures in het kader van de Wet Bpf 2000

Onderdeel van Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2012

Op basis van artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan het georganiseerde bedrijfsleven dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid vertegenwoordigt van de in de bedrijfstak werkzame personen een aanvraag om verplichtstelling indienen. Een aanvraag om verplichtstelling moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW). In het tweede lid van artikel 2, van de Wet Bpf 2000, wordt vermeld welke stukken moeten worden ingediend bij een aanvraag om verplichtstelling. Op basis van artikel 2, vierde lid, Wet Bpf 2000 zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, Stcrt. 2000, 251). Een aanvraag om verplichtstelling wordt pas in behandeling genomen als de aanvraag volledig is en inhoudelijk voldoet aan de vereisten. De datum van in behandeling nemen isde datum waarop de aanvraag in de Staatscourant wordt geplaatst en de termijn van tervisielegging start. Alle stukken die in het kader van de aanvraag dienen te worden meegestuurd liggen ter visie en kunnen worden geraadpleegd viade site van de Directie UAW (www.uitvoeringarbeidsvoorwaardenwetgeving.nl). Zienswijzen tegen de (wijzigingen van) reglementen, de akte van oprichting van het bpf, de akte houdende wijziging van de statuten en de actuariële en bedrijfstechnische nota worden primair beoordeeld door DNB. In het advies van DNB aan de Minister van SZW met betrekking tot de aanvraag wordt op de zienswijzen ingegaan. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor de besluitvorming hierover. Indien stukken ontbreken, zal de Directie UAW hierover reclameren bij de indiener(s) van de aanvraag. Dit geldt evenzo voor onduidelijkheden in de werkingssfeer vande verplichtstelling, het ontbreken van een toelichting of een onvoldoende representativiteit(sopgave). Wanneer de aanvraag om verplichtstelling volledig is, zal worden beoordeeld of de aanvraag is ingediend door een naar de mening van de Minister van SZW voldoende belangrijke meerderheid van het georganiseerde bedrijfsleven. Het georganiseerde bedrijfsleven in de bedrijfstak, zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, Wet Bpf 2000, bestaat uit de partijen die de aanvraag indienen, zijnde één of meer verenigingen van werkgevers samen met één of meer verenigingen van werknemers. Bij een eerste aanvraag van verplichtstelling wordt de representativiteit berekend over de gehele werkingssfeer van het bpf waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. Het is mogelijk dat partijen aangeven dat een bpf meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat. In zo’n situatie zal de beoordeling van de representativiteit plaatsvinden per afzonderlijke bedrijfstak en daarmee ook voor het geheel. Het is immers van belang te waarborgen dat binnen alle bij het bpf aangesloten bedrijfstakken een belangrijke meerderheid de verplichtstelling wenst. Het moet niet zo kunnen zijn dat twee grote bedrijfstakken een verplichtstelling kunnen opleggen aan een derde, kleine bedrijfstak. Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Na vaststelling van de volledigheid van de aanvraag en het voldoen aan de vereisten, waaronder die van de representativiteit zal de aanvraag om verplichtstelling in behandelingworden genomen. Dit blijkt door publicatie van de aanvraagin de Staatscourant (artikel 16, eerste lid, Wet Bpf 2000). Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn derden/belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen tegen de aanvraag (artikel 16, tweede lid, van de Wet Bpf 2000). De termijn van tervisielegging bedraagt in beginsel vier weken. Gedurende de termijn van vier weken liggen de op de aanvraag van verplichtstelling betrekking hebbende stukken ter visie. Overschrijding van de vierwekentermijn voor het indienen van zienswijzen is niet mogelijk, tenzij de Directie UAW daartoe schriftelijk (elektronisch) toestemming heeft gegeven. Dit uitstel kan bovendien alleen worden verleend wanneer tenminste de hoofdpunten van de zienswijzen tijdens de periode van tervisielegging zijn ingebracht en deugdelijk gemotiveerd is waarom om uitstel wordt verzocht. Zienswijzen die zijn ingediend vóór de datum van bekendmaking in de Staatscourant worden niet in behandeling genomen. Na het verstrijken van de termijn van tervisielegging worden de ingediende zienswijzen voor commentaar voorgelegd aan de bij de aanvraag om verplichtstelling betrokken partijen. Partijen moeten binnen 6 weken reageren. Na de ontvangst van de reactie van betrokken partijen kan de zienswijzenprocedure worden voortgezet. De zienswijzen, de reactie van de bij de aanvraag om verplichtstelling betrokken partijen en het voorgenomen besluit van de Minister van SZW of eventueel specifieke vragen van de Minister van SZW wordenaan de Stichting van de Arbeid voorgelegd met het verzoek om een reactie. Hiervan wordt afgezien als de zienswijzen een herhaling zijn van eerder ingebrachte zienswijzen waarover al besloten is of als de zienswijzen kunnen worden aangemerkt als evident kansloos. Voorbeelden van zienswijzen die als evident kansloos zullen worden aangemerkt zijn zienswijzen: die in het geheel niet zijn beargumenteerd; betrekking hebbend op kosten voortvloeiend uit de verplichtstelling; -betrekking hebbend op vrijstelling van verplichte deelname op grond van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Over herhaalde en evident kansloze zienswijzen zal de Stichting van de Arbeid na besluitvorming worden geïnformeerd. De Stichting van de Arbeid wordt in ieder geval om een reactie gevraagd als bij zienswijzensprake is van(vermeende) overlap van werkingssferen van bedrijfstakpensioenfondsen, zodat zij kan bezien of haar tussenkomst wenselijk is.Indien sprake is van (vermeende) overlap van de werkingssfeer van een bpf met de werkingssfeer van een beroepspensioenregeling worden de Stichting van de Arbeid en de SER om een reactie gevraagd. In dat geval zullen zij bezien of hun tussenkomst wenselijk is. Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. De wijziging op de alinea die begint met ‘Overschrijding van de vierwerkentermijn’ is niet voor de tweede keer doorgevoerd. Bij een eerste aanvraag om verplichtstelling zal DNB door de Minister van SZW worden gevraagd aan te geven of de oprichtingsakte, statuten en reglementen aan wet- en regelgeving voldoen. Bij de aanvraag moeten op grond van artikel 2 van de Wet Bpf 2000deze stukken worden meegestuurd. Tevens zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd. Daartoe zal een actuariële en bedrijfstechnische nota, die hiervoor als informatie dient, onderdeel uitmaken van de aanvraag. Na ontvangst van het oordeel van DNB en eventueel van de Stichting van de Arbeid zal door de Minister van SZW een besluit genomen worden. Een besluit tot verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt bij het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordtaangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvragers van de verplichtstelling, de eventuele indieners van zienswijzen en DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. Is er in verband met (vermeende) overlap van werkingssferen een reactie gevraagd van de Stichting van de Arbeid en eventueel van de SER dan worden deze over het besluit geïnformeerd. Op basis van artikel 10, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen wijziging van de verplichtstelling aanvragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Een wijziging van de verplichtstelling heeft betrekking op een aanpassing van de werkingssfeer, niet zijnde een inkrimping in de zin dat een bepaalde bedrijfstak of een afgebakend deel van de bedrijfstak uit de werkingssfeer wordt gehaald. Dan is namelijk sprake van intrekking van een deel van de verplichtstelling (zie hierover paragraaf 4c). Een wijziging van de verplichtstelling kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn bij een naamswijziging. Bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling moeten de bescheiden genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, met uitzondering van de oprichtingsakte en een gewaarmerkt exemplaar van de reglementen worden meegezonden. Op basis van artikel 10,tweede lid, van de Wet Bpf 2000, zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag om een wijziging van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Op grond van artikel 9 van de Wet Bpf 2000, moeten de met de wijziging van de verplichtstelling samenhangende statuten- of reglementswijzigingen door het bpf aan DNB worden gezonden. Wanneer de aanvraag om wijziging van de verplichtstelling volledig is en inhoudelijkvoldoet aan de vereisten, wordt metde procedure wat betreft de bekendmaking in de Staatscourant en (eventueel) de zienswijzenprocedure gestart, zoals bij een eerste aanvraag om verplichtstelling (zie paragraaf 4.a.). Ten aanzien van aanvragen om wijziging van de verplichtstelling kan onderscheid worden gemaakt in de volgende situaties: Bpf voor één bedrijfstak: de representativiteit van partijen die de aanvraag indienen wordt dan getoetst voor de gehele werkingssfeer van het bpf zoals die na wijziging zal gelden. Bpf dat volgens opgave van partijen meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat: in het geval van een wijziging van de verplichtstelling waarbij de gehele werkingssfeer aan wijziging onderhevig is (bijvoorbeeld omdat het deelnemersbegrip wijzigt), wordt de representativiteit getoetst voor de gehele werkingssfeer. Dit betekent dat de representativiteit per bedrijfstak en daarmee voor het totaal van de werkingssfeer wordt beoordeeld. Het is immers van belang te waarborgen dat binnen alle bij het bpf aangesloten bedrijfstakken voldoende draagvlak voor de wijziging aanwezig is. Het moet niet zo kunnen zijn dat twee grote bedrijfstakken een wijziging van de verplichtstelling die de gehele werkingssfeer betreft, kunnen opleggen aan een derde, kleine bedrijfstak. Bpf dat volgens opgave van partijen meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat: wanneer de wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft op één bedrijfstak binnen het bpf of wanneer een bedrijfstak aan het bpf wordt toegevoegd, wordt de representativiteit berekend voor de bedrijfstak waarop de wijziging betrekking heeft. Daarbij moet dan wel aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: de bedrijfstak onderscheidt zich op basis van de bedrijfsactiviteiten, en wat betreft andere arbeidsvoorwaarden dan pensioen, zijn in de betreffende bedrijfstak een of meerdere eigen cao‘s dan wel (een) eigen arbeidsvoorwaardenregeling(en) overeengekomen. Wanneer sprake is van een eigen arbeidsvoorwaardenregeling, dient dit door verzoekende sociale partners te worden aangetoond via het toezenden van een getekend exemplaar van die arbeidsvoorwaardenregeling. Wanneer aan deze twee voorwaarden is voldaan, wordt bij wijziging van de verplichtstelling waarbij een bedrijfstak wordt toegevoegd, of waarbij ten aanzien van een bepaalde bedrijfstak iets wijzigt, de representativiteit van de verzoekende werkgevers- en werknemersorganisaties beoordeeld wat betreft de werkingssfeer van die ene bedrijfstak. Zie voor de procedure met betrekking tot eventuele zienswijzen het gestelde in paragraaf 4.a. ‘Eerste aanvraag van verplichtstelling’. Afhankelijk van de inhoud van de wijziging zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB. Wanneer sprake is van een aanpassing van de werkingssfeer van de verplichtstelling zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd na wijziging. Een actuariële en bedrijfstechnische nota die hiervoor als informatie dient moet, bij wijziging, door het bpf bij de aanvraag worden meegezonden. Wanneer de wijziging van de verplichtstelling alleen een naamswijziging betreft of een andere wijziging die geen inhoudelijke verandering in zich houdt, zal het overleg met DNB achterwege blijven. Een besluit betreffende een wijziging van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt bij het besluit vermeldwaarbij voor devolledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft.Het besluit wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvragers om wijziging van de verplichtstelling en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. Is er in verband met (vermeende) overlap van werkingssferen een reactie gevraagd van de Stichting van de Arbeid en eventueel van de SER dan worden deze over het besluit geïnformeerd. Op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar het oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling indienen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Bij een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Ook een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en tegen een aanvraag om intrekking kunnen zienswijzen worden ingebracht (zie hiervoor paragraaf 4.a.‘Eerste aanvraag van verplichtstelling’). In het geval van een aanvraag om een volledige intrekking zal worden beoordeeld of de verzoekende partijen representatief zijn voor de gehele werkingssfeer van het bpf. In het geval van intrekking van de verplichtstelling van een bpf dat meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat, zal de beoordeling van de representativiteit plaatsvinden per afzonderlijke bedrijfstak en daarmee ook voor het geheel. Het is immers van belang te waarborgen dat binnen alle bij het bpf aangesloten bedrijfstakken voldoende draagvlak voor de intrekking van de verplichtstelling aanwezig is. Het moet niet zo kunnen zijn dat twee grote bedrijfstakken een intrekking van de verplichtstelling kunnen opleggen aan een derde, kleine bedrijfstak. Zie voor de procedure met betrekking tot eventuele zienswijzen het gestelde in paragraaf 4.a. ‘Eerste aanvraag van verplichtstelling’. De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling in overleg treden met DNB. Een intrekking kan financiële gevolgen hebben voor het bpf of de deelnemers in het bpf. In het geval van een aanvraag om een intrekking zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling. Op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking als informatie dienen. Een besluit betreffende een intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt bij het besluit vermeld waarbij voordevolledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft.Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvragers om intrekking, de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. Op basis van artikel 11, derde lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar het oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen intrekking van een deel van de verplichtstelling vragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Bij een aanvraag om intrekking van een deel van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Zo’n deel kan bestaan uit: een bedrijfstak waarvoor een eigen cao of arbeidsvoorwaardenregeling geldt (wanneer meerdere bedrijfstakken onderdeel uitmaken van het verplichtgestelde bpf), of een deel van een bedrijfstak dat zich moet onderscheiden van de rest door: de bedrijfsactiviteiten, en wat betreft andere arbeidsvoorwaarden dan pensioen, is voor het betreffende deel een eigen cao dan wel een eigen arbeidsvoorwaardenregeling overeengekomen. Wanneer sprake is van een eigen arbeidsvoorwaardenregeling, dient dit door verzoekende sociale partners te worden aangetoond via het toezenden van een getekend exemplaar van die arbeidsvoorwaardenregeling. Ook een aanvraag om gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en tegen zo’n aanvraag kunnen zienswijzen worden ingebracht. Dezelfde werkgevers- en werknemersorganisaties als die betrokken zijn geweest bij de verplichtstelling kunnen een gedeeltelijke intrekking aanvragen. Maar ook andere organisaties of een deel van de bij de verplichtstelling van het bpf betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen een gedeeltelijke intrekking aanvragen. Voor iedere aanvrager gelden echter dezelfde eisen: het moet gaan om een gezamenlijke aanvraag van sociale partners in de bedrijfstak of in het afgebakende deel van de bedrijfstak waarvoor intrekking wordt verzocht, de werkgevers(organisatie(s)) vertegenwoordigen een belangrijke meerderheid van de werknemers in de bedrijfstak of het deel van de bedrijfstak waarvoor intrekking van de verplichtstelling wordt gevraagd, en de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties moeten die bedrijfstak of dat deel van de bedrijfstak kunnen vertegenwoordigen. Dit blijkt uit de statuten van de organisaties. In het geval van een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling betreffende één van de bedrijfstakken in het bpf of voor een afgebakend deel binnen een bedrijfstak zal worden gekeken of sprake is van voldoende representativiteit bij de verzoekende partijen voor dat deel waarvoor intrekking van de verplichtstelling wordt verzocht. Draagvlak binnen de gehele werkingssfeer van het bpf is bij een gedeeltelijke intrekking niet vereist. Gedachte hierachter is dat wanneer een representatieve vertegenwoordiging van een bedrijfstak of een afgebakend deel van de bedrijfstak niet langer een verplichtstelling wil, intrekking voor dat deel mogelijk moet zijn. De wens van sociale partners is immers de basis voor een verplichtstelling. De Minister van SZW zal in een geval van gedeeltelijke intrekking echter ook de bij het verplichtgestelde bpf achterblijvende partijen betrekken in het proces. Zij zullen worden geïnformeerd over de aanvraag om gedeeltelijke intrekking, opdat zij hun opvatting hierover aan de Minister van SZW kenbaar kunnen maken. Dit is ook in het belang van de partijen die een aanvraag om gedeeltelijke intrekking indienen. Immers, het deel van de bedrijfstak of, in het geval van meerdere bedrijfstakken binnen het bpf, de bedrijfstak waarvoor intrekking van de verplichtstelling wordt gevraagd, maakt onderdeel uit van dat bpf. Een vertrek bij het bpf nadat het besluit tot intrekking van de verplichtstelling is genomen heeft consequenties voor zowel de vertrekkende partij als voor ’de achterblijvers’. De vertrekkende partij zal mogelijk overgaan tot het oprichten van een eigen bpf. Dan moet met de achterblijvende partijen in het bpf overeenstemming worden bereikt over de financiële afwikkeling. De vertrekkende partij heeft er belang bij dat die overeenstemming er komt, omdat het anders erg moeilijk zal zijn een eigen fonds op te richten. Bovendien bestaat ook bij een aanvraag om intrekking van een deel van de verplichtstelling de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. Indien de achterblijvende partijen hiervan gebruik maken kan dat eveneens een obstakel zijn in de totstandkoming van het uiteindelijke besluit. Zie voor de procedure met betrekking tot eventuele zienswijzen het gestelde in paragraaf 4.a. ‘Eerste aanvraag van verplichtstelling’. De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag om gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling in overleg treden met DNB. In het geval van een aanvraag om een gedeeltelijke intrekking zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van een deel van de verplichtstelling. DNB zal zich in het bijzonder ook buigen over de consequenties van de gedeeltelijke intrekking voor de financiële positie van het verplichtgestelde bpf en zijn deelnemers. Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot gedeeltelijke intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking als informatie dienen. Een besluit betreffende intrekking van een deel van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt bij het besluit vermeldwaarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende krachtheeft.Het besluit tot intrekking van een deel van de verplichtstelling wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvragers om gedeeltelijke intrekking, de eventuele indieners van zienswijzen evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. Op basis van artikel 11, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW de verplichtstelling of een deel ervan ambtshalve intrekken. De motivering voor zo’n ambtshalve intrekking ligt in de verantwoordelijkheid die de Minister van SZW heeft ten aanzien van degenen die via een besluit tot verplichtstelling worden gebonden aan een bpf. Deze bevoegdheid zal naar verwachting niet snel gebruikt worden, omdat het een ingrijpende bevoegdheid is. De Minister van SZW kan in het uiterste geval waarin een bpf weigert de situatie binnen het fonds te wijzigen en bijvoorbeeld vasthoudt aan een regeling die niet de instemming heeft van DNB of op andere wijze onbehoorlijk handelt, overgaan tot ambtshalve intrekking. Ook in het geval dat, in het kader van een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling, niet langer is aangetoond dat sprake is van representatieve sociale partners in de bedrijfstak waarbinnen deelname aan een bpf is verplichtgesteld, kan deze bevoegdheid uitkomst bieden. De Minister van SZW kan dan overgaan tot ambtshalve intrekking, eventueel na een verzoek daartoe van belanghebbenden, bijvoorbeeld niet-representatieve partijen in die bedrijfstak of het bestuur van het bpf dat verplichtgesteld is. De niet-representatieve partijen kunnen namelijk geen gebruik maken van het zelf met succes indienen van een aanvraag om intrekking op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, omdat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van representativiteit. Door de mogelijkheid van ambtshalve intrekking, kan worden voorkomen dat een verplichtstelling wordt gehandhaafd tot het moment van de vijfjaarstoets/herhalingstoets waarin zal worden vastgesteld dat niet langer sprake is van een representatieve vertegenwoordiging. Een voornemen tot ambtshalve intrekking wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. Ook tegen zo’n voornemen kunnen zienswijzen worden ingebracht. Zie voor de procedure met betrekking tot eventuele zienswijzen het gestelde in paragraaf 4.a. ‘Eerste aanvraag van verplichtstelling’. In het geval van een voornemen tot ambtshalve intrekking zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de ambtshalve intrekking van (een deel van) de verplichtstelling. Een besluit tot ambtshalve intrekking wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datumvan in werking treden wordt bij het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordtaangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft.Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. De partijen die betrokken zijn bij het bpf waarvan de verplichtstelling wordt ingetrokken, de eventuele indieners van zienswijzen evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. In de Wet Bpf 2000 is ten aanzien van de representativiteit een nieuw element geïntroduceerd, de periodieke toets (zie hierover ook paragraaf 3.1.b). Na iedere periode van vijf jaar moeten sociale partners aantonen dat er nog steeds voldoende draagvlak is voor de verplichtstelling. Is er op dat moment geen sprake van een voldoende belangrijke meerderheid dan krijgen zij nog twee jaar tijd om aan de representativiteitseis te voldoen. Na die twee jaar vindt een herhalingstoets plaats. Indien ook dan wordt vastgesteld dat de representativiteit van partijen onvoldoende is, zal de Minister van SZW overgaan tot intrekking van de verplichtstelling. De intrekking van de verplichtstelling heeft geen terugwerkende kracht. In het geval van een voorgenomen intrekking op grond van onvoldoende representativiteit zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling. De intrekking kan worden uitgesteld op basis van artikel 12, zesde lid, van de Wet Bpf 2000, gedurende de periode dat tegen de intrekking overwegende bezwaren in verband met de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers bestaan. Hierover zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB. Op basis van artikel 12, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW bij de intrekking voorschriften geven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers. De opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking kan hierbij als informatie dienen. Op basis van artikel 15 van de Wet Bpf 2000 kan ontheffing van verplichtstelling worden gevraagd aan de Minister van SZW. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Zo’n aanvraag kan worden gedaan door of voor een individuele persoon die slechts gedurende een beperkte periode in Nederland werkzaam is. De wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten ter uitvoering van richtlijn nr. 98/49/EG (Staatsblad 2001, 314) heeft geleid tot een aanpassing van artikel 15 van de Wet Bpf 2000. artikel 15, eerste lid, Wet Bpf 2000, verwijst nu naar dat wat in artikel 97 van de Pensioenwetis bepaald. Hierdoor hoeft voor gedetacheerde werknemers van binnen de Europese Unie en van wie de detachering is begonnen op of na 25 juli 2001, niet langer ontheffing te worden aangevraagd indien de betaling van bijdragen in een andere lidstaat wordt voortgezet. Deze werknemers en hun werkgevers zijn op basis van artikel 97, tweede lid, van de Pensioenwet vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van bijdragen aan het verplichtgestelde bpf in Nederland. Artikel 15 van de Wet Bpf 2000 heeft nog betekenis voor die gevallen waarop artikel 97 vande Pensioenwet niet van toepassing is, bijvoorbeeld bij detacheringen die begonnen zijn voor 25 juli 2001 en bij detacheringen van buiten de Europese Unie.Ook houdt artikel 15 nog betekenis voor gevallen waar het gaat om personen die in een andere hoedanigheid (dan detachering) tijdelijk in Nederland werkzaam zijn. In artikel 5 van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000 is aangegeven waaraan zo’n aanvraag moet voldoen. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een wijziging van statuten en reglementen die tevens een wijziging van het besluit tot verplichtstelling noodzakelijk maakt, en statuten- en reglementswijzigingen die geen invloed hebben op een besluit tot verplichtstelling. Sociale partners dienen dit bij iedere wijziging die zij overeenkomen in aanmerking te nemen omdat de actie die zij moeten ondernemen in verband met de verplichtstelling daarvan afhankelijk is. In het geval dat de statuten- en reglementswijziging gevolgen heeft voor het besluit tot verplichtstelling dient een van de procedures zoals hiervoor omschreven te worden gevolgd. Statuten- en reglementswijzigingen die niet leiden tot aanpassing van de verplichtstelling dienen door het verplichtgestelde bpf rechtstreeks aan DNB te worden gezonden (artikel 9 van de Wet Bpf 2000). DNB beoordeelt, zoals dat ook bij andere pensioenfondsen dan de verplichtgestelde pensioenfondsen gebeurt, of sprake is van strijd met wet- en regelgeving. Indien DNB strijdigheid constateert, meldt hij dit ter kennisname aan de Minister van SZW. Indien een bpf dit nalaat of de wijziging ondanks een negatieve beoordeling van DNB toch invoert, is in artikel 9, vierde lid, van de Wet Bpf 2000 opgenomen dat het bpf de kosten moet vergoeden aan degene die zijn vrijgesteld op basis van het Vrijstellings- enboetebesluit Wet Bpf 2000. Afhankelijk van de vrijstellingsgrond moet een vrijgestelde namelijk de wijzigingen in statuten en reglementen van het bpf volgen. Wanneer die wijziging niet conform wet- en regelgeving blijkt te zijn en de vrijgestelde vanwege een nieuwe aanpassing van statuten en reglementen van het bpf ook zijn statuten en reglementen opnieuw moet aanpassen, moet het bpf de kosten die daarmee samenhangen, vergoeden. Het moment van inwerkingtreding van wijziging van statuten en reglementen wordt bepaald door het bestuur van het bpf.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel