De samenloop van vorderingen van depositohouders op een kredietinstelling ten aanzien waarvan het depositogarantiestelsel is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge artikel 8:26, derde lid, onderdelen a en b, daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel of de kredietinstelling hoofdelijk zijn verbonden.