**1.** Indien de werkgever als grond voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanvoert dat de werknemer in onvoldoende mate aan de gestelde functie-eisen voldoet en daarom ongeschikt is voor zijn functie, wordt de toestemming verleend indien:
de werkgever deze ongeschiktheid aannemelijk heeft gemaakt;
is vastgesteld dat deze ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer;
de werkgever voldoende contact met de werknemer heeft gehad teneinde te trachten verbetering teweeg te brengen in diens functioneren, en
aannemelijk is dat het disfunctioneren van de werknemer niet toe te schrijven is aan onvoldoende zorg voor de arbeidsomstandigheden van de zijde van de werkgever.
**2.** Indien de werkgever als grond voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanvoert dat de werknemer de bedongen arbeid niet wil verrichten met een beroep op ernstig gewetensbezwaar, wordt de toestemming voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verleend indien de werkgever redelijkerwijs geen mogelijkheid heeft om de werknemer een aangepaste dan wel andere functie aan te bieden.
**3.** Indien de werkgever verwijtbaar handelen of nalaten van de zijde van de werknemer als grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanvoert, wordt de toestemming voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst verleend, indien door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat deze grond terecht is aangevoerd, en indien, gelet op dat handelen of nalaten, van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
**4.** Indien de werkgever als grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanvoert, dat de relatie tussen de werknemer en de werkgever ernstig en duurzaam is verstoord, wordt de toestemming op die grond verleend indien door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat van zodanige verstoring inderdaad sprake is, en dat herstel van de relatie, al dan niet door middel van overplaatsing van de werknemer binnen de onderneming, niet mogelijk is.
**5.** Indien de werkgever als grond voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanvoert dat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Wet Algemene ouderdomsverzekering BES heeft bereikt dan wel ouder is, wordt de toestemming verleend, tenzij:
de werknemer over onvoldoende middelen en mogelijkheden beschikt om na beëindiging van de arbeidsovereenkomst op sociaal aanvaardbare wijze in zijn onderhoud en dat van zijn eventuele gezin te voorzien, én
de werknemer kan aantonen dat hij zowel geestelijk als lichamelijk nog in staat is de bedongen arbeid te verrichten.
Paragraaf 6
Artikel 6.1
Beëindiging wegens ongeschiktheid en andere redenen
Onderdeel van Regeling beëindiging arbeidsovereenkomsten BES 2012· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 17 juli 2012