In artikel 5, tweede lid, Wvb is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging niet gebonden aan arbitrale bedingen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door de beroepspensioenvereniging. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging moeten kunnen begrijpen of zij, in het geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
De beoordeling van de representativiteit van de beroepspensioenvereniging die een aanvraag in het kader van de Wvb indient, is ook gekoppeld aan de omschreven werkingssfeer van de verplichtstelling.
Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, geeft de beroepspensioenvereniging een beschrijving van het beroep dat wordt uitgeoefend in de tak van beroep waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd.
Daarom is het in ieder geval nodig aan te geven of de werkingssfeer zich uitstrekt over beroepsgenoten in loondienst. Verder moet, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, worden aangegeven hoe hoog die is. Ook moet de maximum leeftijd voor beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling worden opgenomen. Wanneer voor de maximumleeftijd wordt verwezen naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zal de maximumleeftijd automatisch meebewegen met het tijdpad dat daarin is opgenomen.
Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaalde wet, besluit of regeling, dan moet deze worden gefixeerd. Dit betekent dat een jaartal en publicatienummer van de Staatscourant of het Staatsblad zijn opgenomen. Bij verwijzing naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet is het opnemen van een fixatie niet vereist.
Een overlap van werkingssferen zal zich niet voordoen bij de vrije beroepsgenoten, omdat de werkingssfeer een afgebakende omschrijving kent van het beroep van de beroepsgenoot. Voor beroepsgenoten in loondienst kan wel een overlap van werkingssferen ontstaan. Een beroepsgenoot in loondienst kan zowel onder de werkingssfeer van een verplichte beroepspensioenregeling vallen als onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (bpf). Teneinde een samenloop te voorkomen zal de beroepspensioenvereniging de werkingssfeer zo moeten omschrijven dat werknemers die al onder een andere verplichtstelling vallen worden uitgesloten. Mocht bij de aanvraag blijken dat er toch overlap bestaat, dan zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de beroepspensioenvereniging verzoeken de werkingssfeer te wijzigen alvorens de aanvraag verder in behandeling wordt genomen.
Mocht uit zienswijzen blijken dat er sprake is van overlap, dan zal de Minister van SZW de betrokken partijen verzoeken tot een oplossing te komen.
Indien overlap wordt geconstateerd bij twee gelijktijdig in behandeling zijnde aanvragen, de één in het kader van de Wvb en de ander in het kader van de wet Bpf 2000, worden beide aanvragen aangehouden. Aanvragers zullen worden verzocht een oplossing te vinden voor de overlap bij gebreke waarvan niet tot besluitvorming kan worden overgegaan.
Artikel 2
Reikwijdte van de verplichtstelling
Onderdeel van Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013