Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Representativiteit

Onderdeel van Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013

Een besluit (in beginsel voor onbepaalde tijd) in het kader van de verplichtstelling heeft grote betekenis voor een beroepsgroep. Voldoende draagvlak onder de beroepsgenoten voor zo’n besluit is dan ook van belang. Daarom is bepaald dat een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een beroepspensioenvereniging, die naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten, in de betreffende tak van beroep, vertegenwoordigt. Als de verplichtstelling wordt aangevraagd voor zowel zelfstandig werkzame beroepsgenoten als voor beroepsgenoten in loondienst, moet voor beide groepen afzonderlijk worden aangetoond dat de beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van die beroepsgenoten vertegenwoordigt. De representativiteit wordt beoordeeld ten aanzien van de werkingssfeer waarvoor verplichtstelling, wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking wordt gevraagd (zie daarover paragraaf 4). Zoals in paragraaf 2 is vermeld heeft de beroepspensioenvereniging bij de omschrijving van de werkingssfeer de mogelijkheid om bepaalde groepen van de werkingssfeer uit te zonderen. Deze vallen dan buiten de werkingssfeer van de verplichte beroepspensioenregeling en buiten het besluit tot verplichtstelling en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling van de representativiteit. Om vast te stellen of de beroepspensioenvereniging voldoet aan de eis van ‘belangrijke meerderheid’ zal de representativiteit van de beroepspensioenvereniging worden beoordeeld. In artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wvb staat dat de beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten die tot de beroepsgroep behoren moet vertegenwoordigen. Wie tot de beroepsgroep behoort, hebben de beroepsgenoten gedefinieerd in de werkingssfeer van de pensioenregeling. De representativiteit wordt via de volgende formule gemeten: aantal beroepsgenoten binnen de werkingssfeer dat lid is van de beroepspensioenvereniging ----------------------------------------------------------------------------------------------------- x 100% het totaal aantal beroepsgenoten binnen de werkingssfeer van de pensioenregeling Als er een verplichtstelling wordt gevraagd voor een nieuwe beroepspensioenregeling voor zowel zelfstandig werkende beroepsgenoten als voor beroepsgenoten in loondienst moet eerst de verhouding tussen beide groepen worden beoordeeld. Dit dient ook te gebeuren als voor een bestaande beroepspensioenregeling die nu alleen geldt voor zelfstandige beroepsgenoten, een uitbreiding met beroepsgenoten in loondienst wordt gevraagd. In artikel 20 Wvb is bepaald dat de beroepspensioenregeling in overwegende mate is bestemd voor zelfstandig werkende beroepsgenoten. Daarbij is gedacht aan een percentage van 55 afgezet tegen het totaal aantal beroepsgenoten vallend onder de werkingssfeer van de verplichtstelling. Is het percentage minder dan 55 dan zal dat verzoek om verplichtstelling voor beide groepen niet verder in behandeling worden genomen. De beroepspensioenvereniging kan dan vervolgens een verplichtstelling voor alleen de zelfstandig werkende beroepsgenoten aanvragen. Is het percentage 55 of meer dan zal vervolgens de representativiteit voor beide groepen beroepsgenoten afzonderlijk worden beoordeeld. Dat gebeurt via de volgende formules: aantal zelfstandig werkende beroepsgenoten binnen de werkingssfeer dat lid is van de beroepspensioenvereniging ----------------------------------------------------------------------------------------------------- x 100% het totaal aantal zelfstandig werkende beroepsgenoten binnen de werkingssfeer van de pensioenregeling aantal beroepsgenoten in loondienst binnen de werkingssfeer dat lid is van de beroepspensioenvereniging ----------------------------------------------------------------------------------------------------- x 100% het totaal aantal beroepsgenoten in loondienst binnen de werkingssfeer van de pensioenregeling Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel A, van de Verzamelwet pensioenen 2017 in werking treedt. In lijn met de Wet Bpf 2000 en het Toetsingskader AVV worden bij het vaststellen of er sprake is van een belangrijke meerderheid de volgende uitgangspunten gehanteerd: er is sprake van een belangrijke meerderheid wanneer de berekening van de representativiteit leidt tot een uitkomst van ten minste 60%; wanneer sprake is van een uitkomst tussen de 55% en 60% wordt dit in beginsel ook als belangrijke meerderheid gekwalificeerd, tenzij zienswijzen de Minister van SZW aanleiding geven anders te beslissen; in het geval van een representativiteit tussen de 50% en 55% zal in beginsel geen verplichtstelling plaatsvinden, tenzij er naar het oordeel van de Minister van SZW sprake is van bijzondere omstandigheden; beneden de 50% is er geen sprake van een meerderheid en wordt het verzoek afgewezen. De beoordeling van de tweede en derde categorie is maatwerk en hangt af van de omstandigheden in het betreffende geval. Bij de opgave van de representativiteit dienen de aantallen te worden vermeld van: het aantal zelfstandige beroepsgenoten dat lid is van de beroepspensioenvereniging; het totaal aantal zelfstandige beroepsgenoten waarop het verplichtstellingsverzoek betrekking heeft binnen de werkingssfeer van de pensioenregeling; het aantal in loondienst werkzame beroepsgenoten dat lid is van de beroepspensioenvereniging; het totaal aantal in loondienst werkzame beroepsgenoten waarop het verplichtstellingsverzoek betrekking heeft binnen de werkingssfeer van de pensioenregeling. De opgegeven aantallen dienen van recente datum te zijn. De gegevens zouden op het moment van inzending in beginsel niet ouder dan één jaar mogen zijn. Bij een aanvraag in het kader van de verplichtstelling zal, net als bij de verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000, een nadere toelichting gegeven moeten worden op de manier waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld. De toelichting bevat in ieder geval: een opgave van de gebruikte bronnen voor de opgegeven aantallen beroepsgenoten werkzaam in de beroepsgroep, uitgesplitst naar zelfstandig en in loondienst werkzame beroepsgenoten; een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; een opgave van de wijze van meting; een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van de beroepspensioenregeling waarop de aanvraag tot verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan betrekking heeft. Daarbij moet ook duidelijk zijn dat de in de werkingssfeer uitgesloten categorieën beroepsgenoten in de tellingen buiten beschouwing gelaten zijn. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een assurancerapport van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, die daartoe is gecertificeerd, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd. Deze eisen aan de opgave van representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling. Zienswijzen tegen en onduidelijkheid over de representativiteit zullen worden voorgelegd aan de SER. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel A, van de Verzamelwet pensioenen 2017 in werking treedt. Evenals de Wet Bpf 2000 kent ook de Wvb een periodieke representativiteitstoets. Ten minste één maal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat. Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling - een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten ondersteunt deze - gewaarborgd wordt. De periodieke toets betreft de meting van de representativiteit op dezelfde manier, met dezelfde criteria en (vorm)vereisten, als in paragraaf 3a beschreven. De periodieke toets kent geen procedure op grond waarvan derden zienswijzen kunnen indienen. De Minister van SZW zal ten minste 8 weken voor het verstrijken van de vijfjaarstermijn aan de beroepspensioenvereniging verzoeken op juiste en volledige wijze binnen 8 weken aan te tonen dat zij nog steeds een voldoende representativiteit heeft. Uit de Wvb blijkt dat de termijn van 8 weken voor het aantonen van de representativiteit niet vrijblijvend is. Het niet voldoen aan de termijn leidt immers tot mededeling in de Staatscourant en tot een herhalingstoets. In het verzoek van de Minister van SZW wordt aangegeven op welke wijze de representativiteit moet worden aangetoond. Als hulpmiddel zal daartoe een checklist worden meegestuurd waarin een opsomming wordt gegeven van de eisen die aan de gegevens gesteld worden (zie hiervoor: eisen aan gegevens met betrekking tot de representativiteit in paragraaf 3a). Belangrijke meerderheid in de periodieke representativiteitstoets In de periodieke toets wordt een meerderheid van tenminste 60% als belangrijk gekwalificeerd. Wanneer sprake is van een meerderheid tussen de 55% en 60% is dit in de periodieke toets in beginsel ook een belangrijke meerderheid. Een percentage beneden de 55% leidt tot een herhalingstoets na twee jaar. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een assurancerapport van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, die daartoe gecertificeerd is, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd. Iedere keer dat een verplichtstelling is opgelegd dan wel gewijzigd en waarbij de representativiteit is vastgesteld, begint de termijn van vijf jaar voor de periodieke toets opnieuw te lopen. Indien geen wijziging van de verplichtstelling plaatsvindt, zal vijf jaar na de vorige periodieke toets of in het geval van een noodzakelijke herhalingstoets, vijf jaar na afronding van die herhalingstoets, de representativiteit opnieuw worden getoetst. In het geval dat bij een aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets van de representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal intrekking van de verplichtstelling volgen. Indien de beroepspensioenvereniging binnen 8 weken na het verzoek aantoont te voldoen aan de vereiste representativiteit, dan stelt de Minister van SZW betrokkenen hiervan op de hoogte. Indien de beroepspensioenvereniging binnen 8 weken na het verzoek niet aantoont te voldoen aan de vereiste representativiteit, dan doet de Minister van SZW in de Staatscourant de mededeling dat niet is aangetoond dat voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid. Ook worden betrokkenen hiervan op de hoogte gesteld. 8 weken voor het verstrijken van de twee jaar na deze melding in de Staatscourant, zal aan de betrokken beroepspensioenvereniging opnieuw worden gevraagd aan te tonen dat zij voldoet aan het representativiteitsvereiste. Wanneer in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets echter is aangetoond dat er wel voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid, begint vanaf dat moment een nieuwe vijfjaarstermijn te lopen en komt de herhalingstoets te vervallen. Het tussentijds aantonen van een voldoende representativiteit kan spontaan door de betrokken beroepspensioenvereniging gebeuren, maar ook in het kader van een wijziging van de verplichtstelling in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets. Betrokkenen zullen door de Minister van SZW worden geïnformeerd over het voldoen aan het aantonen van de belangrijke meerderheid. Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid van tenminste 60% of meer dan wordt dit als belangrijk gekwalificeerd; Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid tussen de 55% en 60% is dit in beginsel ook een belangrijke meerderheid; Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid tussen de 50% en 55% zal in beginsel de verplichtstelling worden ingetrokken, tenzij er naar het oordeel van de Minister van SZW sprake is van bijzondere omstandigheden; Indien bij de herhalingstoets sprake is van een percentage beneden de 50% zal de verplichtstelling worden ingetrokken, waarbij de Minister van SZW rekening zal houden met de rechten van de deelnemers en de gewezen deelnemers. DNB zal in de procedure tot intrekking worden geraadpleegd over de consequenties van een intrekking. Gedurende de periode dat er overwegende bezwaren bestaan tegen de intrekking, omdat de rechten van deelnemers en gewezen deelnemers in het geding zijn, zal de intrekking nog niet plaatsvinden. De Minister van SZW kan bij de intrekking voorschriften geven ter bescherming van de belangen van de deelnemers en gewezen deelnemers. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel A, van de Verzamelwet pensioenen 2017 in werking treedt. Onduidelijkheid over de representativiteit zal worden voorgelegd aan de SER.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel