Naar hoofdinhoud

Artikel 4

De procedures in het kader van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Onderdeel van Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013

In de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling is een aantal termijnen opgenomen waarbinnen de beroepspensioenvereniging, DNB en de Minister van SZW zullen handelen. Zo wordt voorkomen dat procedures soms onevenredig lang duren, vooral doordat ze lange tijd stilliggen wegens het uitblijven van een reactie. Gedurende die periode bestaat er onzekerheid voor alle betrokkenen bij de verplichtstelling. Met het opnemen van de termijnen in genoemde ministeriële regeling wordt dit voorkomen. De Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling bepaalt dat de Minister van SZW zo spoedig mogelijk op de aanvraag tot verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan beslist, doch uiterlijk binnen 26 weken nadat van de aanvraag mededeling is gedaan in de Staatscourant. Als in verband met het nemen van een besluit informatie of advies is gevraagd aan een persoon of instantie, bijvoorbeeld de SER of DNB dan kan deze termijn ten hoogste twee maal worden verlengd met een periode van maximaal 13 weken. De Minister van SZW informeert de beroepspensioenvereniging over deze verlenging. Door deze termijnen duurt de procedure in elk geval niet langer dan een jaar, gemeten vanaf het moment van in behandeling nemen van de aanvraag. Tevens bepaalt de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling dat wanneer de aanvragende beroepspensioenvereniging niet binnen 6 weken reageert op een verzoek van de Minister van SZW of DNB om (aanvullende) informatie, bijvoorbeeld in het geval van zienswijzen, de beroepspensioenvereniging nog 4 weken de tijd krijgt om te reageren bij gebreke waarvan de aanvraag tot verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan niet verder in behandeling wordt genomen. In afwijking van de termijn voor (aanvullende) informatie geldt voor een verzoek van DNB om statuten en reglementen te wijzigen een termijn van 8 weken. Deze termijn is langer omdat wijziging van statuten en reglementen via een bestuursbesluit moet worden goedgekeurd en statuten moeten worden verleden door een notaris. Van het niet verder in behandeling nemen wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Binnen deze termijn van 26 respectievelijk 39 dan wel maximaal 52 weken worden door de betrokkenen de volgende termijnen nagestreefd: De minister van SZW zal een aanvraag in behandeling nemen wanneer de aanvraag volledig is en aan alle procedurele en inhoudelijke eisen voldoet. Het in behandeling nemen blijkt uit de bekendmaking van de aanvraag in de Staatscourant. Daarin wordt tevens vermeld wat de periode van tervisielegging is (in beginsel 4 weken); Binnen 2 weken nadat de Minister van SZW de aanvraag tot (wijziging/ intrekking van de) verplichtstelling in behandeling heeft genomen, zal DNB om advies worden gevraagd; Indien geen zienswijzen worden ingediend reageert DNB binnen 6 weken op het adviesverzoek van de Minister van SZW met een advies of zal DNB binnen 6 weken aan de Minister van SZW meedelen dat nadere informatie bij de beroepspensioenvereniging is opgevraagd of dat de beroepspensioenvereniging is gevraagd een wijziging aan te brengen in de statuten en/of reglementen. Het advies wordt daarom opgeschort. DNB verzoekt de beroepspensioenvereniging binnen 6 weken de opgevraagde informatie te zenden dan wel binnen 8 weken de statuten en/of reglementen te wijzigen, zoals bepaald in de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling. Indien de beroepspensioenvereniging hieraan niet voldoet, krijgt zij alsnog 4 weken de tijd om hieraan te voldoen. DNB zal vervolgens weer binnen 6 weken na ontvangst van de informatie aan de Minister van SZW advies uitbrengen, dan wel melden dat advisering (nog) niet mogelijk is. In het laatste geval kan de Minister van SZW besluiten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen. Wanneer tijdens de periode van tervisielegging zienswijzen worden ingediend, zullen deze door de Minister van SZW binnen 2 weken na het einde van de periode van tervisielegging, worden voorgelegd aan de beroepspensioenvereniging. Deze moet daarop binnen 6 weken reageren, zoals bepaald in de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling. Indien de beroepspensioenvereniging hieraan niet voldoet, krijgt zij alsnog 4 weken de tijd om te reageren bij gebreke waarvan de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen. Tegelijkertijd met het verzoek aan de beroepspensioenvereniging zullen de zienswijzen ook ter informatie, of ter separate advisering als het gaat om zienswijzen tegen statuten, reglementen of actuariële en bedrijfstechnische nota, aan DNB worden gezonden; Na ontvangst van het advies van DNB en de SER, ingeval onduidelijkheid over de representativiteit of bij zienswijzen, zal de Minister van SZW binnen 2 weken een besluit nemen ten aanzien van de aanvraag tot (wijziging/ intrekking van de) verplichtstelling; De beroepspensioenvereniging, DNB, in geval van betrokkenheid de SER en de indieners van zienswijzen, zullen binnen 2 weken na het nemen van een besluit door de Minister van SZW over dit besluit worden geïnformeerd. Op basis van artikel 5, eerste lid, Wvb kan een beroepspensioenvereniging die naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid vertegenwoordigt van de beroepsgenoten die tot de beroepsgroep behoren, een aanvraag tot verplichtstelling indienen. Een aanvraag tot verplichtstelling moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW). Artikel 6 Wvb vermeldt de stukken die moeten worden ingediend bij een aanvraag tot verplichtstelling. Verder zijn op basis van dit artikel nadere regels gesteld waaraan de aanvraag moet voldoen (Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling). Een aanvraag tot verplichtstelling wordt pas in behandeling genomen als de aanvraag volledig is en inhoudelijk voldoet aan de vereisten. De datum van in behandeling nemen is de datum waarop de aanvraag in de Staatscourant wordt geplaatst en de termijn van tervisielegging start. Alle stukken die in het kader van de aanvraag dienen te worden meegestuurd liggen ter visie en kunnen worden geraadpleegd via de site van de Directie UAW (www.uitvoeringarbeidsvoorwaardenwetgeving.nl). Zienswijzen tegen de (wijzigingen van) reglementen en statuten van de beroepspensioenvereniging, de akte van oprichting van het beroepspensioenfonds, het reglement of de reglementen van het beroepspensioenfonds, de actuariële en bedrijfstechnische nota, de uitvoeringsovereenkomst en de overeenkomst tot overdracht of herverzekering, worden primair beoordeeld door DNB. In het advies van DNB aan de Minister van SZW met betrekking tot de aanvraag wordt op de zienswijzen ingegaan. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor de besluitvorming hierover. Indien stukken ontbreken, zal de Directie UAW hierover reclameren bij de indiener van de aanvraag. Dit geldt evenzo voor onduidelijkheden in de werkingssfeer van de verplichtstelling, het ontbreken van een toelichting of een onvoldoende representativiteit(opgave). Wanneer de aanvraag tot verplichtstelling volledig is, zal worden beoordeeld of de aanvraag is ingediend door een naar de mening van de Minister van SZW voldoende belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten. Bij een eerste aanvraag tot verplichtstelling wordt de representativiteit berekend over de gehele werkingssfeer van de beroepspensioenregeling waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. Als de verplichtstelling ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst wordt de representativiteit voor de zelfstandig werkende beroepsgenoten en voor de beroepsgenoten in loondienst afzonderlijk getoetst. Na vaststelling van de volledigheid van de aanvraag en het voldoen aan de vereisten waaronder die van de representativiteit zoals in dit toetsingkader toegelicht, zal de aanvraag tot verplichtstelling bekend worden gemaakt door publicatie in de Staatscourant (artikel 16, eerste lid, Wvb). Dat is het moment waarop de behandeling van de aanvraag start. Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn derden/belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen tegen de aanvraag (artikel 16, tweede lid, Wvb). De termijn van tervisielegging bedraagt in beginsel vier weken. Gedurende deze termijn van vier weken liggen de op de aanvraag van verplichtstelling betrekking hebbende stukken ter visie en kunnen zienswijzen worden ingediend. Overschrijding van de vier weken termijn voor het indienen van zienswijzen is niet mogelijk, tenzij de Directie UAW daartoe schriftelijk (elektronisch) toestemming heeft gegeven. Dit uitstel kan bovendien alleen worden verleend wanneer tenminste de hoofdpunten van de zienswijzen tijdens de periode van tervisielegging zijn ingebracht en deugdelijk gemotiveerd is waarom om uitstel wordt verzocht. Zienswijzen die zijn ingediend vóór de datum van bekendmaking van de aanvraag in de Staatscourant, worden niet in behandeling genomen. Na het verstrijken van de termijn van tervisielegging worden de ingediende zienswijzen voor commentaar voorgelegd aan de beroepspensioenvereniging die de verplichtstelling aanvraagt. Deze moet binnen 6 weken reageren. Na de ontvangst van de reactie van de beroepspensioenvereniging kan de zienswijzenprocedure worden voortgezet. De zienswijzen, de reactie van de betrokken beroepspensioenvereniging, het voorgenomen besluit van de Minister van SZW, of eventueel specifieke vragen van de Minister van SZW worden aan de SER voorgelegd met een verzoek om een reactie. Hiervan wordt afgezien als de zienswijzen een herhaling zijn van eerder ingebrachte zienswijzen waarover al besloten is of als de zienswijzen kunnen worden aangemerkt als evident kansloos. Voorbeelden van zienswijzen die als evident kansloos zullen worden aangemerkt zijn zienswijzen die: in het geheel niet zijn beargumenteerd; betrekking hebbend op kosten voortvloeiend uit de verplichtstelling. Over deze herhaalde en evident kansloze zienswijzen zal de SER nadat het besluit is genomen worden geïnformeerd. Indien sprake is van (vermeende) overlap van de werkingssfeer van een beroepspensioenregeling met de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds worden de SER en de Stichting van de Arbeid om een reactie gevraagd. In dat geval zullen zij bezien of hun tussenkomst wenselijk is. Bij een eerste aanvraag tot verplichtstelling zal DNB door de Minister van SZW worden gevraagd aan te geven of de oprichtingsakte, statuten en reglementen aan wet- en regelgeving voldoen. Bij de aanvraag moeten op grond van artikel 6 Wvb deze stukken worden meegestuurd. Tevens zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd. Daartoe zal een actuariële en bedrijfstechnische nota, die hiervoor als informatie dient, onderdeel uitmaken van de aanvraag. Na ontvangst van het oordeel van DNB en eventueel van de SER zal de Minister van SZW een besluit nemen. Een besluit tot verplichtstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt in het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvrager van de verplichtstelling, de eventuele indieners van zienswijzen, en DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De SER wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. Is er in verband met (vermeende) overlap van werkingssferen een reactie gevraagd van de SER en van de Stichting van de Arbeid dan worden deze over het besluit geïnformeerd. Op basis van artikel 9, eerste lid, Wvb kan een beroepspensioenvereniging die naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten in de beroepsgroep vertegenwoordigt een wijziging van de verplichtstelling aanvragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Een wijziging van de verplichtstelling heeft betrekking op een aanpassing van de werkingssfeer. Daarvan is sprake in geval de werkingssfeer met een groep beroepsgenoten wordt uitgebreid. Daarbij kan het gaan om een uitbreiding met de groep beroepsgenoten die in loondienst werken. De werkingssfeer kan ook uitgebreid worden met een bepaalde groep, waarvan de deelnemers binnen de beroepsgroep helder te onderscheiden zijn op grond van hun activiteiten. Als de wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft op een inperking van de werkingssfeer met een bepaalde groep beroepsgenoten is er sprake van een intrekking van een deel van de verplichtstelling (zie verder onder paragraaf 4d). Een wijziging van de verplichtstelling kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn bij een naamswijziging. Bij een aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling moeten de bescheiden bedoeld in artikel 9 Wvb worden meegezonden. Verder zijn op basis van artikel 9, vierde lid, Wvb nadere regels gesteld waaraan de aanvraag moet voldoen (Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling). Indien de beroepspensioenregeling door een pensioenfonds wordt uitgevoerd en er heeft een wijziging van de statuten en reglementen plaatsgevonden moet op grond van artikel 9, derde lid, Wvb ook een authentiek afschrift van de wijzigingsakte en een gewaarmerkt exemplaar van de wijzigingen van het reglement worden meegestuurd. Het beroepspensioenfonds dient de met de wijziging van de verplichtstelling samenhangende statuten- of reglementswijzigingen aan DNB te zenden (art. 108 Wvb) Wanneer de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling volledig is en inhoudelijk voldoet aan de vereisten, wordt van de aanvraag mededeling gedaan in de Staatscourant en kunnen er zienswijzen tegen de wijzigingsaanvraag worden ingebracht, zoals bij een eerste aanvraag tot verplichtstelling (zie hiervoor paragraaf 4a). De representativiteit wordt beoordeeld aan de hand van de werkingssfeer zoals die na de wijziging zal luiden. Ten aanzien van aanvragen tot wijziging van de verplichtstelling kunnen de volgende situaties onderscheiden worden. Indien de wijziging inhoudt dat de werkingssfeer met beroepsgenoten in loondienst wordt uitgebreid, zal eerst de verhouding tussen de zelfstandig werkende beroepsgenoten en de beroepsgenoten in loondienst worden beoordeeld. Als de groep van zelfstandig werkende beroepsgenoten ten minste 55% bedraagt, zal vervolgens de representativiteit van beide groepen afzonderlijk worden beoordeeld op dezelfde wijze als beschreven in paragraaf 3. Als de werkingssfeer met een bepaalde groep beroepsgenoten wordt uitgebreid, wordt eerst de representativiteit binnen deze groep beoordeeld. Vervolgens wordt de representativiteit van de gehele groep beoordeeld. Indien ook beroepsgenoten in loondienst tot de werkingssfeer behoren dan wordt voor deze groep de representativiteit ook nog afzonderlijk beoordeeld. De beoordeling vindt plaats zoals beschreven in paragraaf 3. Zie voor de procedure met betrekking tot eventuele zienswijzen het gestelde in paragraaf 4a. Afhankelijk van de inhoud van de wijziging zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB. Wanneer sprake is van een aanpassing van de werkingssfeer van de verplichtstelling, zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd na wijziging. Een actuariële en bedrijfstechnische nota, die hiervoor als informatie dient, moet bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling worden meegezonden. Wanneer de wijziging van de verplichtstelling alleen een naamswijziging betreft of een andere wijziging die geen inhoudelijke verandering in zich houdt, zal overleg met DNB achterwege blijven. Een besluit betreffende een wijziging van de verplichtstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt in het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit wordt met redenen omkleed uitgebracht wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvrager om wijziging van de verplichtstelling en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De SER wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. Is er in verband met (vermeende) overlap van werkingssferen een reactie gevraagd van de SER en van de Stichting van de Arbeid dan worden deze over het besluit geïnformeerd. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel A, van de Verzamelwet pensioenen 2017 in werking treedt. Op basis van artikel 13, eerste lid, Wvb kan een beroepspensioenvereniging die naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten in de beroepsgroep vertegenwoordigt, een aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling indienen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Bij een aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 13, zesde lid, Wvb nadere regels gesteld waaraan de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling). Ook een aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en tegen een intrekkingsaanvraag kunnen zienswijzen worden ingebracht. (zie hiervoor paragraaf 4a) In het geval van een aanvraag tot een volledige intrekking zal worden beoordeeld of de verzoekende beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten in de beroepsgroep vertegenwoordigt. De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag tot verplichtstelling (zie hiervoor paragraaf 4a) . De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling in overleg treden met DNB. Een intrekking kan financiële gevolgen hebben voor het beroepspensioenfonds of de deelnemers in het beroepspensioenfonds. In het geval van een aanvraag tot intrekking zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling. Op grond van artikel 15, derde lid, Wvb kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking als informatie dienen. Een besluit betreffende een intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt in het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvrager tot intrekking en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De SER wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. Op basis van artikel 13, tweede lid, Wvb kan een beroepspensioenvereniging die naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten in de beroepsgroep vertegenwoordigt, om intrekking van een deel van de verplichtstelling vragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Op basis van artikel 13, zesde lid, Wvb zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling). Zo’n deel kan op grond van artikel 13, tweede lid, Wvb bestaan uit een of meer bepaalde groepen beroepsgenoten. Er is sprake van een bepaalde groep als de deelnemers ervan binnen de beroepsgroep helder te onderscheiden zijn op grond van hun activiteiten. Er is ook sprake van een groep als de deelnemers ervan allen beroepsgenoten in loondienst zijn. De intrekking mag niet tot gevolg hebben dat alleen verplichtstelling resteert voor de beroepsgenoten in loondienst. Ook een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en tegen een dergelijke intrekkingsaanvraag kunnen zienswijzen worden ingebracht. (Zie hiervoor paragraaf 4a). De beroepspensioenvereniging die betrokken is geweest bij de verplichtstelling kan een gedeeltelijke intrekking aanvragen. Maar ook een andere beroepspensioenvereniging kan een gedeeltelijke intrekking aanvragen. In beide gevallen moet de beroepspensioenvereniging wel een belangrijke meerderheid vertegenwoordigen van de groep waarvoor gedeeltelijke intrekking wordt gevraagd. De Minister van SZW zal in geval van gedeeltelijke intrekking ook de beroepsgenoten bij het proces betrekken voor wie de verplichtstelling in stand blijft. Zij zullen worden geïnformeerd over de aanvraag tot gedeeltelijke intrekking, opdat zij hun opvatting hierover aan de Minister van SZW kenbaar kunnen maken. Immers de groep van beroepsgenoten waarvoor intrekking van de verplichtstelling wordt gevraagd, maakt onderdeel uit van de verplichtgestelde beroepspensioenregeling. Een vertrek uit die regeling heeft consequenties voor ‘de achterblijvers’. Bovendien bestaat ook bij een aanvraag tot intrekking van een deel van de verplichtstelling de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag tot verplichtstelling(zie hiervoor paragraaf 4a). De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling in overleg treden met DNB. In het geval van een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking waarbij de uitvoering van de pensioenregeling is opgedragen aan een beroepspensioenfonds zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van een deel van de verplichtstelling. DNB zal zich in het bijzonder ook buigen over de consequenties van de gedeeltelijke intrekking voor de financiële positie van het beroepspensioenfonds en zijn deelnemers. Op grond van artikel 15, derde lid, Wvb kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot gedeeltelijke intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking als informatie dienen. Een besluit betreffende een intrekking van een deel van de verplichtstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt in het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit tot intrekking van een deel van de verplichtstelling wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvragers om gedeeltelijke intrekking en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De SER wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. Op basis van artikel 14, eerste lid, Wvb kan de Minister van SZW in uitzonderlijke gevallen de verplichtstelling of een deel ervan ambtshalve intrekken. De motivering voor een dergelijke ambtshalve intrekking ligt in de verantwoordelijkheid die de Minister van SZW heeft ten aanzien van degenen die via een besluit tot verplichtstelling worden gebonden aan een beroepspensioenregeling. Deze bevoegdheid zal naar verwachting niet snel gebruikt worden, omdat het een ingrijpende bevoegdheid is. Op grond van artikel 14, tweede lid, Wvb is van een uitzonderlijk geval in ieder geval sprake indien er geen bijdragen meer aan de pensioenuitvoerder worden gedaan. De Minister van SZW kan in het uiterste geval waarin een beroepspensioenfonds weigert de situatie binnen het fonds te wijzigen en bijvoorbeeld vasthoudt aan een regeling die niet de instemming heeft van de DNB of op andere wijze onbehoorlijk handelt, overgaan tot ambtshalve intrekking. Deze bevoegdheid kan ook uitkomst bieden in het geval dat, in het kader van een aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling, niet langer is aangetoond dat sprake is van een representatieve beroepspensioenvereniging in de beroepsgroep waarvoor deelname aan een beroepspensioenregeling verplicht is gesteld. De beroepsvereniging die niet meer aan het belangrijke meerderheidsvereiste voldoet kan geen gebruik maken van het zelf met succes indienen van een aanvraag tot intrekking op basis van artikel 13 Wvb, omdat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van representativiteit. De Minister van SZW kan dan overgaan tot ambtshalve intrekking, eventueel na een verzoek daartoe van belanghebbenden, bijvoorbeeld niet-representatieve groepen in die beroepsgroep of het bestuur van de beroepspensioenvereniging. Door de mogelijkheid van ambtshalve intrekking, kan worden voorkomen dat een verplichtstelling wordt gehandhaafd tot het moment van de vijfjaarstoets/herhalingstoets waarin zal worden vastgesteld dat niet langer sprake is van een representatieve vertegenwoordiging. Een voornemen tot ambtshalve intrekking wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. Ook tegen een voornemen tot ambtshalve intrekking kunnen zienswijzen worden ingebracht. De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag tot verplichtstelling (zie hiervoor paragraaf 4a). In het geval van een voornemen tot ambtshalve intrekking zal DNB worden gevraagd, voorzover er sprake is van uitvoering door een pensioenfonds, te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de ambtshalve intrekking van (een deel van) de verplichtstelling. Een besluit tot ambtshalve intrekking wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt in het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. Op grond van artikel 15, derde lid, Wvb kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. De betrokken beroepspensioenvereniging en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd over het genomen besluit. De SER wordt schriftelijk (elektronisch) geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. Na iedere periode van vijf jaar moet de beroepspensioenvereniging aantonen dat er nog steeds voldoende draagvlak is voor de verplichtstelling, de zogenaamde periodieke representativiteitstoets (zie hiervoor paragraaf 3b). Is er op dat moment geen sprake van een voldoende belangrijke meerderheid, dan krijgt zij nog twee jaar tijd om aan de representativiteitseis te voldoen. Na die twee jaar vindt een herhalingstoets plaats. Indien ook dan wordt vastgesteld dat de representativiteit onvoldoende is, zal de Minister van SZW overgaan tot intrekking van de verplichtstelling. De intrekking van de verplichtstelling heeft geen terugwerkende kracht. In het geval van een voorgenomen intrekking op grond van onvoldoende representativiteit zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het pensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling. De intrekking kan worden uitgesteld op basis van artikel 15, tweede lid, Wvb gedurende de periode dat tegen de intrekking overwegende bezwaren in verband met de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers bestaan. Hierover zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB. Op basis van artikel 15, derde lid, Wvb kan de Minister van SZW bij de intrekking voorschriften geven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van onder meer de deelnemers en gewezen deelnemers. De opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking kan hierbij als informatie dienen. Op basis van artikel 18 Wvb kan ontheffing van verplichtstelling worden gevraagd aan de Minister van SZW. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk (elektronisch) bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW. Een dergelijk aanvraag kan worden gedaan door of voor een individuele persoon, die slechts gedurende een beperkte periode in Nederland werkzaam is. Deze periode duurt in beginsel maximaal vijf jaar. Artikel 7 van de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling geeft aan waaraan zo’n aanvraag moet voldoen . Voor gedetacheerde beroepsgenoten van wie de detachering is begonnen op of na 25 juli 2001 en die vanuit landen binnen de Europese Unie zijn gedetacheerd hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd indien de betaling van premies in een andere lidstaat wordt voortgezet. Deze beroepsgenoten en hun werkgevers zijn op basis van artikel 17, eerste lid, Wvb vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van premies in Nederland. Artikel 18 Wvb heeft nog betekenis voor die gevallen waarop artikel 17 Wvb niet van toepassing is. Bijvoorbeeld bij detacheringen die begonnen zijn vóór 25 juli 2001 of bij detacheringen van buiten de Europese Unie. Ook houdt artikel 17 nog betekenis voor gevallen waar het gaat om personen die in een andere hoedanigheid (dan detachering) tijdelijk in Nederland werkzaam zijn. Op grond van artikel 10 Wvb zendt de beroepspensioenvereniging binnen twee weken nadat de wijziging van de regeling tot stand is gekomen een gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan de Minister van SZW. De Minister van SZW doet in de Staatscourant melding van de wijziging. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel A, van de Verzamelwet pensioenen 2017 in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel