1. 1. De materiële vaste activa, bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van het besluit, worden gewaardeerd tegen aanschaf- of vervaardigingsprijzen, verminderd met reeds gedane afschrijvingen. Daarbij kan een minimale waarde worden gehanteerd.
  2. 2. De waarde van materiële vaste activa, bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van het besluit, voor de bepaling van de vermogenskostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van het besluit, is het gemiddelde van de waarde overeenkomstig het eerste lid op 1 januari en 31 december.
  3. 3. Het werkkapitaal, bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van het besluit, voor de bepaling van de vermogenskostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van het besluit, is het gemiddelde van het werkkapitaal op 1 januari, 1 april, 1 juli, 1 oktober en 31 december.