1. 1. De ondernemer dient jaarlijks voor 15 oktober bij de minister een voorstel in voor de tarieven, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit, voor het daaropvolgende kalenderjaar.
  2. 2. Het voorstel bevat voor elk tarief een begroting voor het desbetreffende kalenderjaar, met in ieder geval:
    • - a. een raming van de kosten en opbrengsten overeenkomstig artikel 3.3 van het besluit en de artikelen 3.26e tot en met 3.26h;
    • - b. een vergelijking tussen:
      • - 1°. de geraamde kosten en opbrengsten voor het komende kalenderjaar;
      • - 2°. de geraamde en gemaakte kosten en opbrengsten van het voorgaande kalenderjaar; en
      • - 3°. de geraamde en gemaakte kosten en opbrengsten van het lopende kalenderjaar, met een eindprognose; en
    • - c. een toelichting op de geraamde posten in de begroting, inclusief de bij de raming gehanteerde uitgangspunten, en een analyse van de verschillen tussen de geraamde kosten en opbrengsten van het voorgaande kalenderjaar.
  3. 3. In het voorstel wordt in voorkomend geval toepassing gegeven aan artikel 3.3, zevende lid, van het besluit.
  4. 4. De minister keurt uiterlijk 31 december van het betreffende kalenderjaar het voorstel voor de tarieven voor het daaropvolgende kalenderjaar goed, indien dat voorstel voldoet aan de bij en krachtens de wet daarover gestelde regels.