Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Afweging en onderbouwing

Onderdeel van Circulaire vervoer gevaarlijke stoffen door wegtunnels· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 15 maart 2013

De Minister van IenM neemt, ongeacht of het om een bestaande of een nieuwe tunnel gaat, een beslissing tot indeling van een tunnel in een tunnelcategorie met gebruikmaking van de afweging, die aantoonbaar heeft plaatsgevonden aan de hand van de inhoud van deze circulaire, en die in overleg met de belanghebbende partijen tot stand is gekomen. Bij de afweging, die wordt uitgevoerd tijdens de voorbereiding van de aanleg van een nieuwe tunnel of van de wijziging van een bestaande tunnel, is verder van belang dat de afweging in een vroeg stadium wordt gemaakt. De Minister beslist over wijziging van een tunnelcategorie door wijziging van de VLG-regeling. In de toelichting bij de publicatie van die wijziging wordt ingegaan op de wijze, waarop deze circulaire is toegepast op de concrete in te delen tunnel(s). De Minister verstrekt desgevraagd een schriftelijke toelichting over gemaakte keuzes over tunnelcategorieën, ook indien deze geen gevolgen hebben voor de VLG-regeling. Twee instrumenten reiken de uitgangspunten voor de afweging aan: deze circulaire voor bestaande tunnels en het afwegingskader van Rijkswaterstaat voor nieuwe tunnels (zie hierboven in paragraaf 3.2). Wanneer bij een aanlegproject wordt overwogen een tunnel in het aan te leggen tracé op te nemen en beperkingen te stellen aan het vervoer van gevaarlijke stoffen door deze tunnel, maakt de initiatiefnemer van het project een afweging voor de tunnelcategorie op grond van het plan. Voor deze afweging is het afwegingskader van Rijkswaterstaat een geschikt hulpmiddel. Bij een bestaande tunnel kan zich een aanleiding voordoen voor het (her)overwegen van een tunnelcategorie. Dit zal met name het geval zijn bij een renovatie of wijziging van gebruik in verband waarmee één of meer vergunning(en) aangevraagd moet(en) worden. Indien zich bij een bestaande tunnel, naar oordeel van de Minister, een aanleiding voordoet voor het (her)overwegen van de tunnelcategorie, maakt de tunnelbeheerder een afweging op grond van de concrete feiten en omstandigheden. Daarbij kan het beoordelingskader in hoofdstuk 5 van deze circulaire als hulpmiddel dienen. De op grond van de afweging gemaakte keuze dient voor de initiatiefnemer dan wel tunnelbeheerder als uitgangspunt voor het (aanleg- of renovatie-)project. De vastgelegde resultaten van de afweging vormen voor de Minister de basis voor de beslissing tot aanpassing van de VLG-regeling. Voor deze beslissing vormt het beoordelingskader in hoofdstuk 5 van deze circulaire het richtsnoer. Bij nieuwe aanlegprojecten vindt de afweging plaats gedurende de MIRT-verkenningsfase, bij voorkeur voorafgaand aan de voorkeursbeslissing die gedurende die fase wordt genomen, maar in ieder geval voorafgaand aan het planologische besluit. De op grond van de afweging gemaakte keuze wordt opgenomen in het planologische besluit en, indien van toepassing, de voorkeursbeslissing. Bij een bestaande tunnel vindt de afweging in een zo vroeg mogelijk stadium plaats, afhankelijk van de aanleiding voor (her)overweging van de tunnelcategorie. Bij de afweging is van belang dat alle belanghebbende partijen worden betrokken. Daartoe behoren, naast de (toekomstige) tunnelbeheerder en de tunnelveiligheidsbeambte, in ieder geval (vertegenwoordigers van): de wegbeheerders van aansluitende wegen en van omleidingroutes (afhankelijk van de concrete situatie kan het gaan om Rijkswaterstaat, de provincie, naburige gemeenten en provincies en/of private beheerders van openbare wegen) het bevoegde college van burgemeester en wethouders van de gemeente(n) waarin de tunnel geheel of voor het grootste gedeelte is gelegen de gemeenten waarin de tunnelroute en omleidingroutes zijn gelegen de relevante koepelorganisaties voor ondernemingen die direct zijn betrokken bij het vervoer gevaarlijke stoffen, zoals de Commissie Transport Gevaarlijke Goederen (CTGG) lokale ondernemingen die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gebruik (zullen) maken van de concrete transportroute Bij de afweging worden ook de primaire en secundaire omleidingmogelijkheden en hun risico’s uitdrukkelijk betrokken in geval van het opleggen van een beperking voor de tunnelroute. Met de primaire omleidingroute wordt gedoeld op de route, waarlangs het niet in de tunnel toegelaten vervoer door middel van bebording wordt geleid. Een secundaire omleidingroute is een route, waarlangs dat vervoer tijdelijk kan worden afgewikkeld in het geval van stremming van de primaire omleidingroute. Wanneer de tunnel geen essentiële oeververbinding is en andere geschikte omleidingroutes niet beschikbaar zijn kan een secundaire omleidingroute zelfs bestaan uit de tunnelroute zelf, al dan niet onder de toepassing van veiligheidsmaatregelen. Bij aanlegprojecten wordt het VGS, in het kader van de voor de Warvw verplichte risicoanalyse, betrokken bij de afweging om een tunnel aan te leggen dan wel een andere constructieve oplossing te kiezen. De resultaten uit de eerder gemaakte afweging vormen de onderbouwing voor de beslissing van de Minister van IenM. Indien het afwegingskader uit de Handreiking externe veiligheid aantoonbaar is toegepast, neemt IenM in beginsel het resultaat van de afweging over bij de beslissing om de VLG-regeling te wijzigen. Volledige toepassing van het in hoofdstuk 5 opgenomen beoordelingskader kan dan achterwege blijven. Om een beslissing tot wijziging van de VLG te nemen, is in ieder geval nodig dat op grond van de schriftelijke onderbouwing duidelijk is: dat alle relevante belangen zijn meegewogen en daartoe overleg is gevoerd met (vertegenwoordigers van) alle betrokken belanghebbenden (zie de lijst in paragraaf 4.2.3); dat de afweging heeft plaatsgevonden aan de hand van afdeling 1.9.5 van het ADR; indien een beperking wordt overwogen, dat een afweging heeft plaatsgevonden van de aanwezigheid en geschiktheid van meerdere omleidingroutes; wat het beoogde gebruik van de tunnelroute wat betreft het VGS is, met name of de tunnelroute onderdeel is of zal worden van een gevaarlijke-stoffenroute; indien de tunnel zich niet op een gevaarlijke-stoffenroute bevindt, dat een afweging heeft plaatsgevonden van alle in aanmerking komende tunnelcategorieën en de flexibele mogelijkheden die 1.9.5.1, laatste volzin, van het ADR biedt (toepassen van tijdvensters); indien er sprake is van een wegtunnel op een gevaarlijke-stoffenroute, of sprake is van een essentiële oeververbinding; indien er sprake is van een wegtunnel op een gevaarlijke-stoffenroute, of er sprake is van een bijzondere situatie en, zo ja, waarom; indien er sprake is van een bijzondere situatie, dat een analyse heeft plaatsgevonden om te komen tot de keuze voor de tunnelcategorie. IenM past het beoordelingskader van paragraaf 5 toe op het resultaat van de aldus uitgevoerde afweging. Indien hieruit geen bezwaren voortkomen, wijzigt IenM de VLG-regeling. In de toelichting bij de wijziging van de VLG-regeling wordt gewoonlijk uiteengezet waarom voor de onderhavige tunnel(s) gekozen is voor de betreffende categorie. De toelichting bevat een verantwoording over de toepassing van de uitgangspunten van deze circulaire. Daarbij wordt toegelicht: Indien de tunnel wordt aangemerkt als een tunnel in een gevaarlijke-stoffenroute, op grond waarvan dat gebeurt; Indien de Minister van oordeel is dat de tunnel een essentiële oeververbinding is, waarom dat het geval is; Indien de Minister van oordeel is dat sprake is van een bijzondere situatie, waarom dat het geval is en wat daarvan het gevolg is voor de concrete keuze voor de tunnelcategorie; Welke omleidingroutes beschikbaar zijn voor het vervoer van stoffen dat niet door de tunnel is toegestaan als gevolg van de wijziging van de VLG-regeling.

Rechtspraak bij dit artikel