Naar hoofdinhoud

Artikel IV

Toepasselijkheid uitzondering journalistieke doeleinden

Onderdeel van Richtsnoeren publicatie van persoonsgegevens op internet· Privacy

Deze tekst geldt sinds 11 december 2007

De Wbp is slechts gedeeltelijk van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden. In deze richtsnoeren wordt alleen de journalistieke exceptie uitgewerkt, aangezien een beroep op artistieke of literaire doeleinden zelden voorkomt. Niet van toepassing zijn: • de informatieplicht (artikel 33 en 34 Wbp); • het verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens (artikelen 17 tot en met 23 Wbp); • de meldingsplicht (artikelen 27 tot en met 30 Wbp); • de rechten van betrokkenen (artikelen 35 tot en met 42 Wbp); • het toezicht door het CBP (artikelen 51 tot en met 75 Wbp); • de beperkingen ten aanzien van doorgifte (artikelen 76 tot en met 78 Wbp). Wel van toepassing zijn: • de definities en reikwijdte van de Wbp, inclusief de bepaling over minderjarigheid (artikelen 1 t/m 5 Wbp); • de plicht om gegevens op behoorlijke en zorgvuldige wijze te verwerken (artikel 6 Wbp); • de plicht om persoonsgegevens voor welbepaalde en gerechtvaardigde doeleinden te verzamelen (artikel 7 Wbp); • de plicht tot het hebben van een grond om de gegevensverwerking te rechtvaardigen (artikel 8 Wbp); • het verbod op onverenigbaar gebruik (artikel 9 Wbp); • het verbod om gegevens langer te bewaren in een identificeerbare vorm dan noodzakelijk (artikel 10 Wbp); • het verbod op het verwerken van bovenmatige, niet ter zake dienende persoonsgegevens (artikel 11 Wbp); • de plicht om passende beveiligingsmaatregelen te treffen (artikel 13 Wbp); • de bepalingen over de relatie tussen verantwoordelijke en bewerker (artikel 14 Wbp), over toetsing door het CBP van gedragscodes (artikel 25 Wbp) en schadevergoeding (artikel 49 Wbp). Artikel 3 Wbp is gebaseerd op artikel 9 van de algemene Europese privacyrichtlijn. De richtlijn stelt uitzonderingen voor de media verplicht, maar ‘uitsluitend voor zover deze nodig blijken’. Dat betekent dat lidstaten uitsluitend in uitzonderingen moeten voorzien voor zover ze nodig blijken om een balans te vinden tussen bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Daarom zijn journalistieke publicaties niet vrijgesteld van de algemene zorgvuldigheidsvereisten uit de Wbp, evenals de plicht om maatregelen te treffen om de beveiliging van de verwerking te garanderen. Wanneer valt een publicatie op internet onder de journalistieke exceptie en in welke gevallen is daar geen sprake van? Vaststelling van de grens tussen journalistieke en niet-journalistieke uitingen is van groot belang om te bepalen wanneer het CBP handhavend kan optreden en wanneer andere fora bevoegd zijn, zoals de rechter of de Raad voor de Journalistiek. De publicatie van persoonsgegevens op internet valt onder de journalistieke exceptie als zij een uiting is van algemeen maatschappelijk belang die in journalistieke hoedanigheid wordt gedaan (dus niet perse als journalist). Of een uiting met recht en reden een uitsluitend journalistiek doeleinde beweert te dienen, dient te worden beoordeeld door de uiting in zijn context te bekijken en daarna tot een afweging van belangen te komen. Bij die beoordeling hanteert het CBP de volgende criteria: is de activiteit gericht op (objectieve) informatieverzameling en verstrekking? gaat het om een regelmatige bezigheid? gaat het erom iets van maatschappelijke strekking aan de orde te stellen? kent de publicatie een recht van repliek of rectificatie achteraf? Alleen als een publicatie aan alle vier criteria voldoet, is de journalistieke exceptie in ieder geval van toepassing. Is de publicatie gericht op min of meer objectieve informatieverzameling en verstrekking? Bij dit criterium telt niet alleen de publicatie zelf, maar ook de aard van de reacties als het om een interactieve publicatie gaat. Om in aanmerking te komen voor de journalistieke exceptie is van belang of er onderscheid wordt gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen, zoals de Raad voor de Journalistiek ook vaststelt in zijn Leidraad.92Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, vastgesteld door de leden in april 2007, URL: http://www.rvdj.nl/rvdj-archive/docs/Leidraad_ 2007.pdf Of een publicatie met reactiemogelijkheid of discussieforum zich kan beroepen op de journalistieke exceptie, hangt mede af van de kwaliteit van de moderatie van reacties van bezoekers. Kan iedere bezoeker van de website vrijuit bijdragen toevoegen die evident schadelijk zijn voor derden, of vindt er controle plaats op de reacties? Of een publicist betaald wordt voor zijn publicatie, is niet wezenlijk voor het bepalen van de reikwijdte van de journalistieke exceptie. Het is slechts aan weinigen gegeven om geld te verdienen met een (zelfstandige) publicatie op internet, terwijl met de publicatie wel een groot maatschappelijk belang gediend kan zijn. Beoordeeld wordt of het een regelmatige activiteit betreft. Een weblog met een paar verouderde bijdragen kan zich minder snel beroepen op de journalistieke exceptie dan een publicatie waarop regelmatig nieuwe bijdrages verschijnen. Vrij debat over maatschappelijke onderwerpen is van algemeen belang. Uitingen van activisten of belangenorganisaties waarin persoonsgegevens worden verwerkt, kunnen van grote waarde zijn om ernstige misdrijven en misdragingen aan het licht te brengen, om de openbare veiligheid en gezondheid te beschermen en misleiding te voorkomen van het publiek door handelingen en uitspraken van personen of organisaties. Daaruit vloeit evenwel niet voort dat elke dergelijke publicatie van persoonsgegevens op internet een louter journalistiek doeleinde dient. Of het bij een publicatie van persoonsgegevens gaat om een verwerking voor uitsluitend journalistieke doeleinden, hangt mede af van de overige drie beoordelingscriteria en de hoedanigheid van personen over wie persoonsgegevens worden gepubliceerd. Als een publicatie bijvoorbeeld misdragingen bekendmaakt van een volksvertegenwoordiger of directeur van een bekend of groot bedrijf en de publicatie gebaseerd is op voldoende documentatie om aannemelijk te zijn, dient de publicatie allicht een algemeen maatschappelijk belang. Als een publicatie daarentegen gedetailleerd het privéleven blootlegt van een onbekende persoon, wiens gedragingen niet van invloed zijn op het functioneren van de maatschappij, valt een algemeen belang niet snel te construeren. Om in aanmerking te komen voor de journalistieke exceptie dient er tenslotte een recht van repliek te zijn.93Artikel 29-werkgroep, Aanbeveling 1/97, Wetgeving inzake gegevensbescherming en de media, 25 februari 1997, blz. 8-9: De richtlijn vereist een evenwicht tussen twee fundamentele vrijheden.(...) Beperkingen van het recht van toegang en rectificatie voorafgaand aan publicatie kunnen slechts evenredig zijn voor zover de betrokkenen een recht van antwoord of rectificatie van onjuiste informatie hebben na publicatie. Dat recht houdt in dat betrokkenen een recht van antwoord of rectificatie achteraf hebben van onjuiste informatie, juist omdat de rechten op inzage of correctie niet van toepassing zijn op uitingen met een uitsluitend journalistiek, artistiek of literair doeleinde. Volgens de aanbeveling van de Raad van Europa heeft iedere betrokkene het recht om (kosteloos) te reageren op onjuiste feiten over hem of haar in de media, voor zover die feiten zijn of haar persoonlijke rechten aantasten.94Dit is in lijn met Recommendation Rec(2004)161 of the Committee of Ministers of the Council of Europe to member states on the right of reply in the new media environment, URL: https://wcd.coe.in t/ViewDoc.jsp?id=802829. Any natural or legal person, irrespective of nationality or residence, should be given a right of reply or an equivalent remedy offering a possibility to react to any information in the media presenting inaccurate facts about him or her and which affect his/her personal rights. De reactie moet een vergelijkbaar prominente plaats krijgen in de publicatie als de oorspronkelijke uiting. De aanbeveling kent een aantal uitzonderingen op de verplichting om de repliek te publiceren; als de repliek veel langer is dan nodig of inhoudelijk niet beperkt tot verbetering van de betwiste feiten. Het recht is ook niet van toepassing als de betrokkene geen geldig belang heeft bij de repliek of als de repliek in een andere taal is gesteld dan de oorspronkelijke publicatie. Bij de beoordeling of een publicatie onder de journalistieke exceptie valt, dient zwaar mee te wegen of er een recht van repliek is, dan wel anderszins wordt voorzien in een adequaat mechanisme om onjuiste, onvolledige of overbodige persoonsgegevens achteraf te verbeteren of te verwijderen. Het recht van repliek is een laagdrempelige invulling van de journalistieke rectificatienorm95De norm volgens de recente leidraad van de Raad voor de Journalistiek luidt: De journalist van wie blijkt dat hij onjuist dan wel op een wezenlijk punt onvolledig heeft bericht, gaat – zo mogelijk op eigen initiatief – op zo kort mogelijke termijn over tot een passende en ruimhartige rechtzetting, die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat de berichtgeving in de te rectificeren publicatie of uitzending niet juist was. Indien een betrokkene die zich door de berichtgeving in redelijkheid tekortgedaan voelt, zelf reageert, neemt de redactie de vereiste zorgvuldigheid in acht bij de beslissing of – en zo ja, op welke wijze – de reactie van de betrokkene wordt gepubliceerd., die recht doet aan het belang om de journalistieke vrijheid niet op voorhand te beknotten door alle regels uit de Wbp van toepassing te verklaren. Als betrokkenen echter geen mogelijkheid hebben om achteraf, na publicatie op internet, commentaar te leveren op persoonsgegevens over hen die evident onjuist zijn, kan niet worden aangenomen dat de publicatie een uitsluitend journalistiek doeleinde dient. In dat geval zijn dus alle verplichtingen uit de Wbp van toepassing. De verantwoordelijke voor een niet-journalistieke publicatie kan niet volstaan met het toevoegen van een opmerking van een betrokkene dat gegevens onjuist zijn; hij moet de betreffende persoonsgegevens verwijderen of verbeteren (Zie hoofdstuk II, paragraaf 9.1). Als de publicatie onder de journalistieke exceptie valt, mag de publicatie ook op internet worden gearchiveerd, inclusief bijzondere persoonsgegevens. De journalistieke exceptie werkt ‘door’ in verdere verwerkingen die plaatsvinden bij bibliotheken en archieven, mits de exploitatie een journalistiek, artistiek of literair doeleinde dient.96MvT, blz 73: Daarbij valt tevens te denken aan bepaalde gegevensverwerkingen die plaatsvinden bij bibliotheken en musea. Conform de richtlijn worden dergelijke gegevensverwerkingen op één lijn geplaatst met journalistieke gegevensverwerkingen. Als een archief met journalistieke publicaties voor andere doeleinden wordt geëxploiteerd, vervalt de exceptie.97MvT, blz 74: De exploitatie van op basis daarvan aangelegde gegevensbestanden voor andere dan journalistieke, artistieke of literaire doeleinden valt buiten de reikwijdte van de in artikel 3 geregelde uitzondering. Bij publicatie op internet van journalistieke archieven met persoonsgegevens is het van belang onderscheid te maken tussen het eerste journalistieke belang van openbaarmaking en het tweede belang van het archiveringsdoeleinde. De verantwoordelijke dient af te wegen voor welke doelgroep hij het archief openstelt en gedurende welke termijn. Ongeacht de toepasselijkheid van de journalistieke exceptie blijven immers de vereisten uit de Wbp van kracht om geen onjuiste of bovenmatige gegevens te publiceren en om behoorlijk en zorgvuldig te werk te gaan. Als een publicatie onder de journalistieke exceptie van de Wbp valt, kan een klacht door de rechter en in sommige gevallen door de Raad voor de Journalistiek worden beoordeeld. De rechter toetst of de publicatie voldoet aan de algemene zorgvuldigheidsvereisten uit de Wbp en aan het Burgerlijk Wetboek. De algemene beginselen van zorgvuldigheid van de Wbp hangen nauw samen met de algemene beginselen van maatschappelijke zorgvuldigheid, zoals vastgelegd in het leerstuk van de onrechtmatige daad in het Burgerlijk Wetboek98Artikel 6:162 BW Lid 1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Lid 2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Lid 3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. en jurisprudentie.99Belangrijke jurisprudentie op dit punt is het zogenaamde Gemeenteraadslid-arrest van de Hoge Raad, HR, 24 juni 1983, NJ 1984, 801. Daaruit vloeien zeven, in onderling verband te beschouwen, factoren voort om een afweging te kunnen maken tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zie voor zaken waarin deze criteria zijn toegepast op internetpublicaties ook: LJN: AO2756, Rechtbank Middelburg, 77/2003, 21 januari 2004, LJN: AT4342, Rechtbank Arnhem, 16 maart 2005 en LJN: AY5772, Rechtbank Zwolle, 122465 / KG ZA 06-287, 9 augustus 2006. De Raad voor de Journalistiek hanteert een eigen maatstaf voor de beoordeling of iets een journalistieke publicatie is. Hij acht zich bevoegd om te oordelen over publicaties van professionele journalisten, dat wil zeggen, mensen die hetzij in dienstverband of als zelfstandige er hun hoofdberoep van maken mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia. 100De RvdJ geeft een definitie van journalistieke gedraging en journalist in artikel 4 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek. Onder journalistieke gedraging [wordt] verstaan een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Voorts wordt onder een journalistieke gedraging verstaan een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van de in het volgende lid genoemde publiciteitsmedia. Uit de opsomming van soorten media waarover de Raad voor de Journalistiek kan oordelen, blijkt dat ook internetpublicaties eronder kunnen vallen, voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, reportages, beschouwing of rubrieken van informatieve aard. Verder neemt de Raad voor de Journalistiek klachten in behandeling over uitingen van niet-journalisten onder de voorwaarden dat zij voor de publicatie worden betaald en het om regelmatige medewerking gaat, zoals bijvoorbeeld denkbaar in het geval van bijdragen van een medisch specialist aan een vakblad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel