Verantwoordelijken die in strijd handelen met het bepaalde in de Wpg en Wbp kunnen in rechte worden aangesproken. Betrokkenen hebben een aantal mogelijkheden om zelf hun recht te halen, zowel op grond van de Wpg en de Wbp, als op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft het CBP als toezichthouder een aantal bestuursrechtelijke mogelijkheden om te handhaven op het bepaalde in de Wpg en Wbp: een boetebevoegdheid, maar ook het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een last onder dwangsom.
Aan de Wpg en de Wbp kan een betrokkene rechten ontlenen indien hij meent dat zijn persoons-gegevens onrechtmatig worden verwerkt.50 De artikelen 25 tot en met 31 Wpg, de artikelen 35 tot en met 39 Wbp en artikel 45 Wbp. In de eerste plaats kan hij zijn recht op inzage van hem betreffende gegevens uitoefenen. Vervolgens kan hierop een verzoek tot het verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen van die gegevens volgen indien deze gegevens feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet terzake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Mocht niet aan dergelijke verzoeken kunnen worden voldaan, dan stelt de verantwoordelijke de betrokkene schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de weigering.
Een beslissing op een inzageverzoek of een verzoek tot het verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen van die gegevens is een besluit in de zin van de Awb. Dit houdt in dat de betrokkene zich kan wenden tot de bestuursrechter indien de verantwoordelijke niet reageert of weigert aan een verzoek te voldoen.
Het CBP kan ingevolge de artikelen 47 Wbp en 29, tweede lid, Wpg bemiddelen bij geschillen over onder meer het verkrijgen van inzage in persoonsgegevens en het verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen van persoonsgegevens. Beroep bij de rechter kan nog worden ingesteld nadat de betrokkene van het CBP bericht heeft ontvangen dat de behandeling van de zaak is beëindigd, tot uiterlijk zes weken na dat tijdstip. Het CBP kan in een geschil een rechterlijke instantie van advies dienen.
Ook kan het CBP op grond van een klacht van een belanghebbende of op eigen initiatief een onderzoek instellen naar de naleving van de Wbp en Wpg. Dit volgt uit de artikelen 60 Wbp en 35, tweede lid, Wpg. Daarbij kan het CBP zijn toezichthoudende bevoegdheden inzetten, waarbij een verantwoordelijke verplicht is alle gevraagde medewerking te verlenen. Het CBP kan inlichtingen vorderen, inzage vorderen in gegevens, zaken en middelen onderzoeken (waaronder computerapparatuur) en mag ruimtes betreden, waaronder ook woningen.
Het aantal bij het CBP aangedragen zaken en de complexiteit daarvan neemt voortdurend toe, terwijl de middelen die het CBP ter beschikking staan begrensd zijn. Het CBP kan derhalve niet alle zaken die worden aangebracht in behandeling nemen en moet keuzes maken. Bij klachten gebeurt dit aan de hand van criteria zoals de ernst van de overtreding, de mate van concreetheid van de aanwijzingen, een inschatting van de juridische haalbaarheid en de door het CBP te investeren capaciteit en menskracht, maar vooral ook de verwachting over de potentiële preventieve werking die van handhaving in een specifiek geval zal uitgaan.51Voor meer informatie over de door het CBP gehanteerde selectiecriteria bij de uitoefening van zijn werkzaamheden wordt verwezen naar ‘Uitgangspunten en beleidsregels werkwijze CBP’, Staatscourant, 4 oktober 2004, nr. 190, ook gepubliceerd op www.cbpweb.nl.
Indien de Wpg of Wbp niet wordt nageleefd, kan het CBP bestuursdwang toepassen.52Artikel 35, tweede lid, Wpg en de artikelen 61 en 65 Wbp. Onder bestuursdwang wordt verstaan het door feitelijk handelen optreden door een bestuursorgaan tegen een illegale situatie, doorgaans op kosten van de overtreder.
Ook kan het CBP een last onder dwangsom opleggen. Dit volgt uit artikel 5:32, eerste lid, Awb. Een last onder dwangsom kan bijvoorbeeld inhouden dat een verantwoordelijke een gegevensverwerking moet aanpassen of staken op straffe van een dwangsom van een bepaald bedrag per dag. Als de verantwoordelijke niet voldoet aan de last, kan het te betalen geldbedrag fors oplopen, tot een vooraf vastgesteld maximumbedrag.
Een verantwoordelijke riskeert ten slotte ook nog een bestuurlijke boete, onder meer voor overtreding van de meldingsplicht (de artikelen 27 en 28 Wbp) dan wel de protocolplicht (artikel 32 Wpg).
Op grond van artikel 75 Wbp kan het overtreden van de meldingsplicht ook uitmonden in een strafrechtelijke sanctie, indien het CBP nog geen bestuurlijke boete voor hetzelfde feit heeft opgelegd.
Artikel VI
Handhaving en de rol van het CBP
Onderdeel van Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR· Privacy
Deze tekst geldt sinds 14 juli 2009