Naar hoofdinhoud

Artikel V

Uitgangspunten voor samenwerking van politie met andere overheidsinstanties

Onderdeel van Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR· Privacy

Deze tekst geldt sinds 14 juli 2009

Samenwerking door overheidsorganisaties (bijvoorbeeld de Belastingdienst, gemeenten en sociale diensten) bij het uitoefenen van toezicht biedt mogelijkheden om controles efficiënter in te richten en zodoende per saldo meer effect te bereiken. De taken moeten zich wel lenen voor een dergelijke samenwerking. De politie heeft vanuit haar eigen taak een bijzondere positie die per definitie anders is dan die van andere overheidsorganisaties. Uit de taak die de politie is opgedragen in artikel 2 Polw. ‘93 vloeien bevoegdheden voort die aan haar zijn voorbehouden. Dit heeft ook gevolgen voor de te hanteren juridische kaders. Op diverse terreinen heeft niet de politie de taak om toezicht te houden, maar is een andere overheidsorganisatie hiermee belast. De verwerking van politiegegevens door de politie valt binnen het kader van de Wpg, terwijl de verwerking van persoonsgegevens door andere toezichthouders onderworpen is aan de Wbp. De politie kan deze gegevens niet gemakshalve samenvoegen met de politiegegevens en onder haar verantwoordelijkheid verwerken; dat strookt niet met het bijzondere regime van de Wpg dat voor de verwerking van politiegegevens is gecreëerd. Bovendien horen deze gegevens eenvoudigweg niet thuis in politiebestanden. Met het oog op de zorgvuldige verwerking van gegevens zullen daarom maatregelen moeten worden getroffen om een scheiding van verwerkingen te bewerkstelligen in de situatie dat bij een ANPR-actie wordt samengewerkt tussen de politie en een andere overheidsorganisatie. Voor de betrokkenheid van de politie bij een ANPR-actie met behulp van politievoertuigen en -apparatuur zal in ieder geval sprake moeten zijn van de uitoefening van de politietaak. De te verwerken gegevens zijn politiegegevens, waarop de Wpg van toepassing is. De door de andere overheidsorganisatie geïnitieerde controle dient noodzakelijk te zijn voor de goede vervulling van haar publiekrechtelijke taak. De in dat kader te verwerken gegevens zijn persoonsgegevens, waarop de Wbp van toepassing is. De politie zal voor de betreffende toepassing van ANPR een selectie maken van gegevens die gecontroleerd gaan worden en deze in het vergelijkingsbestand zetten. De gegevens die een andere overheidsorganisatie ter controle wil vergelijken met de gegevens van passerende voertuigen moeten separaat worden gehouden van de politiegegevens. Feitelijk is dan sprake van minimaal twee gescheiden vergelijkingsbestanden, waarmee de gescande kentekens worden vergeleken. Voor beide verwerkingen geldt dat de kwaliteit van de gegevens goed moet zijn: actueel, juist en niet bovenmatig. Ten aanzien van het scannen en vergelijken doen zich twee scenario’s voor. Het eerste is dat de andere overheidsorganisatie zelf een grondslag heeft voor het scannen van kentekens. Vanaf het scannen tot aan het resultaat is dan sprake van een aparte Wbp-route waarvoor deze organisatie verantwoordelijk is. Het tweede scenario houdt in dat de kentekens gescand worden met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak maar dat deze verstrekt worden aan de andere overheidsorganisatie indien daar een grondslag voor is op basis van de Wpg. In de wet is voorzien in strikte criteria die een dergelijke verstrekking met waarborgen omkleden. De verstrekking van gescande kentekens zal in ieder geval noodzakelijk moeten zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang als de grondslag voor verstrekking wordt gevonden in artikel 19 Wpg of artikel 20 Wpg. Dit scenario houdt ook in dat af-spraken gemaakt moeten worden met de andere overheidsorganisatie. Uit zowel de Wpg als de Wbp volgt dat gescande kentekens die niet tot een hit leiden direct vernietigd moeten worden wegens het ontbreken van de noodzaak deze langer te verwerken. Het positieve resultaat van een vergelijking, of dat een hit is met een politiegegeven of een hit met een persoonsgegeven in de daarvan gescheiden verwerking, zal toegevoegd worden aan het oorspronkelijke kenteken. Dat betekent dat het kenteken dat is opgenomen in het desbetreffende vergelijkings-bestand in beide gevallen aangevuld wordt met informatie ten aanzien van tijd en plaats. Na afloop van de ANPR-toepassing zullen de twee onderscheiden verwerkingen ook fysiek van elkaar gescheiden worden ten behoeve van verdere verwerking binnen de betreffende organisatie. Het informeren van de betrokkene speelt een belangrijke rol in de Wbp. Vanwege de toepasselijkheid van de Wbp op de verwerking van gegevens afkomstig van andere overheidsorganisaties is de kenbaarheid van de ANPR-actie voorafgaand aan die actie dan wel het achteraf verstrekken van informatie aan de betrokkenen van belang. Het plaatsen van ANPR-apparatuur in een voertuig waaraan is te zien dat daarmee controles worden uitgevoerd, heeft hierbij altijd de voorkeur. Indien camera-apparatuur wordt gebruikt in een niet als zodanig herkenbaar voertuig, is sprake van zogenaamde heimelijke waarneming. Dat is voor de verwerking van politiegegevens geen probleem omdat de informatieplicht in dit stadium van de verwerking niet volgt uit de Wpg. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van heimelijke waarneming door andere overheidsorganisaties zal door het CBP wel worden onderworpen aan een Voorafgaand Onderzoek (VO). De verwerking moet daarvoor eerst door de verantwoordelijke gemeld worden bij het CBP. In een voorafgaand onderzoek toetst het CBP de rechtmatigheid van de verwerking in verband met de bijzondere risico’s die een heimelijke waarneming met zich brengt. Aan het signaal dat een kenteken is herkend zal direct gevolg moeten worden gegeven. Uitvoering geven aan de controlerende taak is immers het doel van deze vergelijking van gegevens, zowel voor wat betreft de politiegegevens als voor de ter vergelijking aangeboden andere persoonsgegevens. Voor de betrokkene moet in dit stadium duidelijk zijn op grond waarvan hij wordt stilgehouden. De politie kan niet haar bevoegdheden aanwenden ten behoeve van een hit op een persoonsgegeven afkomstig van de andere overheidsorganisatie. De bevoegdheid voor de politie om op basis van artikel 160 WVW ‘94 motorvoertuigen stil te houden is niet bedoeld voor de situatie waarin de vergelijking met een Wbp-gegeven een hit oplevert.49Onderzoek inzet ‘Catch-ken’, prof. mr. P.A.M. Mevis, Rotterdam 27 oktober 2005; Mevis gaat in dit onderzoek uit van de situatie dat veelplegers onderwerp zijn van het gebruik van catch-ken. Hij concludeert dat er geen bevoegdheid bestaat die de bestuurder er toe dwingt het voertuig stil te zetten of te doen houden naar aanleiding van een hit. ‘De bevoegdheid daartoe uit de WVW ‘94 is niet bedoeld voor inzet in het kader van de ‘Catch-ken’. Het doen stopzetten en stilhouden van het voertuig zal op basis van vrijwilligheid (moeten) geschieden’. Dit is aan de overheidsorganisatie die in het aangegeven geval de taak heeft de controle uit te oefenen en handhavend op te treden. Dit vereist bij de ANPR-actie de aanwezigheid van vertegenwoordigers van die organisatie. Het kan maatschappelijk gezien wenselijk zijn dat overheidsorganisaties samenwerken in hun toezichthoudende taken. De verschillende gegevensstromen moeten echter op grond van het zorgvuldigheidsvereiste gescheiden gehouden worden ter voorkoming van vermenging van gewone persoonsgegevens met politiegegevens. Twee scenario’s doen zich hierbij voor. De eerste is dat de persoonsgegevens vanaf het moment van scannen van de kentekens apart worden verwerkt van de politiegegevens. De andere overheidsorganisatie dient dan op grond van de Wbp een grondslag voor de gehele verwerking te hebben, dus zowel voor het scannen van kentekens als voor het verwerken daarvan ten behoeve van haar taak. Het tweede scenario houdt in dat kentekens, die in het kader van de uitvoering van de politietaak zijn gescand, verstrekt worden aan de andere overheidsorganisatie. Deze verstrekking dient te voldoen aan de voorwaarden die daarvoor in de Wpg zijn gesteld. Er dient onder meer een grondslag in de Wpg aanwezig te zijn. Uit zowel de Wpg als de Wbp volgt dat gescande kentekens die niet tot een hit leiden direct vernietigd moeten worden wegens het ontbreken van de noodzaak deze langer te verwerken. De andere overheidsorganisatie moet in beide gevallen beschikken over een eigen bevoegdheid tot controle. Ook bij deze verwerking moet er nadrukkelijk aandacht zijn voor de kwaliteit van de gegevens, maar ook voor de informatieverplichting jegens betrokkenen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel