Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Besluit toerekeningssysteem postvervoer· Mededingingsrecht

Deze tekst geldt sinds 4 januari 2001

1. Met de inwerkingtreding van de nieuwe postregelgeving per 1 juni 2000, is TNT Postgroep N.V. (hierna: TPG), als houder van de postconcessie, verplicht om een financiële verantwoording voor de activiteiten ter uitvoering van het postvervoer op te stellen, die is uitgesplitst over: (a) haar activiteiten in het voorbehouden postvervoer bedoeld in artikel 2a van de Postwet, en (b) overige activiteiten van postvervoer, en die is gescheiden van haar andere activiteiten. Deze verplichting is opgenomen in onderdeel 6.2 van paragraaf 6 van het Besluit algemene richtlijnen post (hierna: Barp). Ten behoeve van deze gescheiden financiële verantwoording dient TPG een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten (hierna: toerekeningssysteem) vast te stellen dat voldoet aan artikel 14, derde lid van de Postrichtlijn1Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst. en dat, in overeenstemming daarmee, voldoet aan de beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit (onderdeel 6.3 van het Barp). Het door TPG vastgestelde toerekeningssysteem voor kosten behoeft de goedkeuring van het college dat daaraan voorschriften kan verbinden. TPG heeft op 17 november 2000 het toerekeningssysteem vastgesteld en ter goedkeuring aan het college aangeboden. Het onderhavige besluit strekt tot goedkeuring van het toerekeningssysteem. 2. Het college heeft op 26 juli 2000 beleidsregels2Richtsnoeren over voorschriften te verbinden aan de goedkeuring van het toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten van TPG; Stcrt. 180, 18 september 2000.vastgesteld ten behoeve van de beoordeling van het door TPG vast te stellen toerekeningssysteem. Voordat het college tot vaststelling van de beleidsregels is overgegaan zijn TPG en andere belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze mondeling en schriftelijk kenbaar te maken. Met de vaststelling en publicatie van de beleidsregels heeft het college beoogd TPG en andere belanghebbenden vooraf duidelijkheid te geven over de beoordelingscriteria die door het college bij het goedkeuringsproces worden gehanteerd. 3. Overeenkomstig onderdeel 6.5 van paragraaf 6 van het Barp, zoals dat heeft gegolden tot 1 juni 2000, heeft Koninklijke PTT Nederland N.V., de toenmalige houder van de postconcessie, een toerekeningssysteem vastgesteld ten behoeve van de door onderdeel 6.4 van het oude Barp vereiste gescheiden financiële verantwoording. Met het besluit van 27 november 19963Instemming met het door KPN vastgestelde toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten, Staatscourant 1996, nr. 238.heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, als rechtsvoorganger van het college, ingestemd met dit toerekeningssysteem. De instemming gold voor een periode van drie jaar, ingaande boekjaar 1996. De instemming met het toerekeningssysteem is door het college op 28 juni 1999 bij wijze van automatisme verlengd tot het moment dat overeenkomstig de gewijzigde postregelgeving een nieuw toerekeningssysteem in werking treedt. Er bestond op het moment van de verlenging van de instemming geen aanleiding om de bepalingen in het toerekeningssysteem aan te passen. 4. De opbouw van het onderhavige besluit is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijk kader geschetst dat als basis dient voor de beoordeling van het toerekeningssysteem. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving op hoofdlijnen van het door TPG vastgestelde toerekeningssysteem. In hoofdstuk 4 wordt de wijze waarop de toetsing van het toerekeningssysteem heeft plaatsgevonden beschreven. Hoofdstuk 5, tenslotte, bevat het dictum van het besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel