Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Wettelijk kader

Onderdeel van Besluit toerekeningssysteem postvervoer· Mededingingsrecht

Deze tekst geldt sinds 4 januari 2001

Europese regelgeving 5. De Postrichtlijn geeft gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Europese Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst. De uit deze richtlijn voortvloeiende rechten en verplichtingen zijn geïmplementeerd in de op 1 juni 2000 in werking getreden Postwet, Postbesluit en Besluit algemene richtlijnen post. 6. Artikel 14 van de Postrichtlijn geeft regels voor de leverancier van de universele dienst met betrekking tot de financiële administratie. De regels worden in de leden 2 en 3 van artikel 14 specifiek ingevuld. In artikel 14, lid 2 van de Postrichtlijn is bepaald dat de leverancier van de universele dienst in zijn ‘interne boekhouding’ afzonderlijke rekeningen dient bij te houden voor alle diensten die tot de voorbehouden sector behoren enerzijds en alle diensten die tot de niet-voorbehouden sector behoren anderzijds. In de rekeningen voor de niet-voorbehouden diensten moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die onder de universele dienst vallen (de overig opgedragen diensten) en de diensten die er niet onder vallen (de vrije dienstverlening). De interne boekhoudingen moeten steunen op consequent toegepaste en objectief gerechtvaardigde normen van bedrijfsadministratie. In artikel 14, lid 3 van de Postrichtlijn zijn regels opgenomen voor de wijze waarop kosten dienen te worden toegerekend aan de voorbehouden en de niet-voorbehouden diensten. Deze regels zijn als volgt: kosten die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst worden aldus toegerekend; gemeenschappelijke kosten, d.w.z. kosten die niet rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst, worden als volgt toegerekend: indien mogelijk worden gemeenschappelijke kosten toegerekend op basis van een rechtstreekse analyse van de herkomst van kosten; indien rechtstreekse analyse niet mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kostencategorieën toegerekend op basis van een onrechtstreekse binding met een andere kostencategorie of groep van kostencategorieën waarvoor een rechtstreekse toerekening mogelijk is; de onrechtstreekse binding wordt gebaseerd op vergelijkbare kostenstructuren; indien rechtstreekse noch onrechtstreekse kostentoerekening mogelijk is, moet de kostencategorie worden toegerekend op basis van een algemene kostenverdeling die wordt berekend op grond van de verhouding tussen alle uitgaven die rechtstreeks of onrechtstreeks worden toegerekend aan de andere diensten anderzijds. 7. Het is de leverancier van de universele dienst, op grond van het vierde lid van artikel 14 van de Postrichtlijn, toegestaan een systeem van bedrijfsadministratie toe te passen dat afwijkt van de in artikel 14, lid 3 van de Postrichtlijn opgestelde regels. In dat geval moeten ze wel in overeenstemming zijn met het tweede lid van artikel 14 (zie punt 6, hiervoor), en goedgekeurd door de nationale regelgevende instantie. De Europese Commissie moet vóór de toepassing ervan worden ingelicht. 8. In de ‘Mededeling van de Commissie over de toepassing van de mededingingsregels op de postsector en over de beoordeling van bepaalde overheidsmaatregelen met betrekking tot postdiensten’ (98/C 39/02) worden in paragraaf 3.4 bepaalde eisen gesteld ter zake van de vaststelling van prijzen. Deze eisen gelden voor exploitanten die naast voorbehouden diensten, vrije diensten leveren. De prijs van de vrije dienstverlening moet tenminste gelijk zijn aan de gemiddelde kosten voor het verrichten ervan. Dit betekent dat de directe kosten gedekt moeten zijn, plus een passend deel van de gemeenschappelijke en de overheadkosten van de exploitant. Dit is een nadere uitwerking van het integraliteitsbeginsel. Nationale regelgeving 9. Op 1 juni 2000 zijn de Postwet4Besluit van 15 mei 2000, Stb. 201., het Postbesluit5Besluit van 28 april 2000, Stb. 200. en het Barp6Besluit van 25 mei 2000, Stcrt. 101. in werking getreden. De aanpassing van deze wettelijke voorschriften was nodig ter implementatie van de Postrichtlijn. In onderdeel 6.2 van paragraaf 6 van het Barp is voor TPG de verplichting opgenomen tot het opstellen van een financiële verantwoording, die is uitgesplitst over: (a) activiteiten van voorbehouden postvervoer bedoeld in artikel 2a van de Postwet, en (b) overige activiteiten van postvervoer, en die is gescheiden van de andere activiteiten van de houder van de postconcessie. Onderdeel 6.3, sub a van paragraaf 6 van het Barp verplicht TPG tot de vaststelling van een toerekeningssysteem dat moet worden gebruikt bij de, op grond van onderdeel 6.2 van het Barp, op te stellen financiële verantwoording. Dit toerekeningssysteem dient te voldoen aan artikel 14, derde lid van de Postrichtlijn en moet in overeenstemming daarmee, beantwoorden aan de beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit (onderdeel 6.3 van het Barp). Deze beginselen voor het toerekeningssysteem zijn, blijkens de toelichting op onderdeel 6.3 van het Barp, opgenomen ter uitvoering van de aanbeveling inzake het toerekeningssysteem in het rapport ‘Markt en Overheid-Toets op postmarkt’7Markt en Overheid-Toets op postmarkt, Eindrapportage, Utrecht maart 1999, Werkgroep Markt en Overheidstoets Postmarkt. 10. Het Barp bevat in paragraaf 6, in de onderdelen 6.2 en 6.3, bepalingen die betrekking hebben op de externe accountantscontrole. TPG dient het college jaarlijks een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant voor te leggen dat er is voldaan aan het bepaalde in onderdeel 6.2, eerste volzin, van het Barp. TPG moet tevens een verklaring van dezelfde, door het college, aangewezen accountant overleggen over de toepassing van het door het college goedgekeurde toerekeningssysteem. Van deze laatste verklaring doet het college mededeling in de Staatscourant. 11. TPG is verplicht om jaarlijks te rapporteren over de uitvoering van haar verplichtingen op het gebied van het postvervoer. Paragraaf 7 van het Barp geeft in de onderdelen 7.1 en 7.3 een opsomming van de op te leveren informatie. Onderdeel van deze rapportageverplichting betreft de gescheiden financiële verantwoording van de kosten en opbrengsten van de voorbehouden en de overige opgedragen diensten en het rendement dat hierop behaald is (onderdeel 7.3 van het Barp). In een door het college opgesteld informatieprofiel is de vorm van de informatieverstrekking gedetailleerd uitgewerkt. De verplichtingen uit de gewijzigde postregelgeving dienen, onder gebruikmaking van het toerekeningssysteem, voor het eerst over het jaar 2001 gerapporteerd te worden (artikel III, lid 2, van het wijzingingsbesluit Barp). Voor het jaar 2000 zal de rapportage geschieden op basis van §7 van het Barp zoals dit gold tot 1 juni 2000. Per 1 juni 2000 is er sprake van een verkleining van de voorbehouden dienst en overige opgedragen diensten. Hiermee moet bij de rapportage over 2000 rekening worden gehouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel