Op grond van artikel 150a Sv geeft de officier van justitie – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – schriftelijk kennis aan de (raadsman van de) verdachte van de aan de deskundige verleende opdracht en van tijd en plaats van het onderzoek. De officier van justitie stelt de (raadsman van de) verdachte in de gelegenheid de nodige opmerkingen te maken met betrekking tot de onderzoeksopdracht.
Het belang van het onderzoek kan zich tegen kennisgeving verzetten als bijvoorbeeld te vrezen valt dat de voortgang van dat opsporingsonderzoek zodanig wordt belemmerd dat dit consequenties kan hebben voor de succesvolle voortzetting van het onderzoek. Ook kan het belang van de waarheidsvinding ertoe nopen dat de resultaten van deskundigenonderzoek, voordat hiervan kennis wordt gegeven aan de (raadsman van de) verdachte, eerst worden gebruikt bij het verhoren van verdachten6Zie in dit verband art. 150a lid 1 Sv.. Het ‘belang van het onderzoek’ kan ook zijn gelegen in een ander opsporingsonderzoek (buitenlands en/of parallel onderzoek) of een nog niet voltooid strafrechtelijk financieel onderzoek.
Indien het belang van het onderzoek zich verzet tegen kennisgeving, legt de officier van justitie dit schriftelijk vast. De officier van justitie legt alleen vast dat het belang van het onderzoek zich tegen notificatie verzet. Op de terechtzitting kan de officier van justitie desgewenst verklaren waarom het onderzoeksbelang zich destijds tegen notificatie verzette.
Kennisgeving wordt alsnog gedaan, zodra het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet, tenzij het onderzoek reeds is uitgevoerd. In dat geval komt de uitslag van het onderzoek in plaats van de kennisgeving.
De (raadsman van de) verdachte kan gedurende het voorbereidend onderzoek verzoeken tot het doen van aanvullend onderzoek of het geven van aanwijzingen omtrent het uit te voeren onderzoek (art. 150a lid 1 Sv). Ook van de uitslag van het onderzoek wordt de (raadsman van de) verdachte op de hoogte gesteld zodra het belang van het onderzoek zich daar niet meer tegen verzet.7Als onderzoek op verzoek van de (raadsman van de) verdachte is uitgevoerd, vindt geen uitstel van kennisgeving van de uitslag plaats (artikel 150a lid 4 Sv).
Als sprake is van technisch opsporingsonderzoek zijn de artikelen 150 tot en met 150c Sv niet van toepassing. Dit betekent dat kennisgeving van het onderzoek aan de (raadsman van de) verdachte niet verplicht is. Niettemin kan er in zeer uitzonderlijke gevallen aanleiding zijn om toch kennis te geven, opdat de (raadsman van de) verdachte zich desgewenst kan uitlaten over het formuleren van de onderzoeksvragen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in complexe onderzoeken naar zware misdrijven die grote maatschappelijke beroering veroorzaken. De forensische officier van justitie wordt betrokken bij dergelijke afwegingen en beslissingen.
Als het onderzoek is voltooid, kan de (raadsman van de) verdachte – in beginsel binnen twee weken na kennisgeving van de uitslag daarvan8De minister van Justitie heeft in de kamerstukken aangegeven dat hij het denkbaar acht dat in sommige gevallen enige rekkelijkheid met deze termijn wordt betracht (Kamerstukken I, 2007/08, 31 116, nr. C, p. 10 in verbinding met Kamerstukken I 2008/09, 31 116, nr. E, p. 3.) – een tegenonderzoek verzoeken (art. 150a lid 3 Sv).
De (raadsman van de) verdachte dient een verzoek tot tegenonderzoek te richten aan de officier van justitie ingeval deze de deskundige heeft benoemd (art. 150 lid 3 Sv).
Verzoeken om tegenonderzoek die betrekking hebben op deskundigenonderzoek dat door een niet-geregistreerde deskundige (en dus in opdracht van de rechter-commissaris) is verricht, moeten altijd bij de rechter-commissaris worden ingediend (art. 176 / 227 e.v. Sv).
Bij weigering van een verzoek dat op de voet van artikel 150a lid 1 is ingediend, geeft de officier van justitie daarvan gemotiveerd kennis aan de (raadsman van de) verdachte (art. 150b lid 1 Sv). Na zo’n weigering kan de (raadsman van de) verdachte zich met zijn verzoek op de voet van artikel 150b lid 2 Sv wenden tot de rechter-commissaris.
Bij het verlenen van een opdracht aan een deskundige, kan het in bijzondere gevallen raadzaam zijn om een inventarislijst op te stellen van de stukken en informatie die worden overgedragen.
De deskundige dient bij ontvangst van de stukken en informatie de inventarislijst te ondertekenen. De inventarislijst wordt toegevoegd aan de rapportage van de deskundige. De gedetailleerdheid van de inventarislijst is afhankelijk van de omvang en complexiteit van het dossier. Er wordt niet verlangd dat in complexe zaken waarbij sprake is van een omvangrijk dossier van meerdere ordners, de inhoud van de ordners afzonderlijk wordt beschreven.
Indien de AG dat noodzakelijk oordeelt, kan op grond van artikel 411a lid 2 Sv voor de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep de rechter-commissaris bij de rechtbank waar de zaak in eerste aanleg heeft gediend, op vordering van het OM bevelen nader onderzoek te laten verrichten. Daartoe behoort ook het bevelen van deskundigenonderzoek. Als het gaat om onderzoek dat niet door een geregistreerde deskundige kan worden uitgevoerd, moet de rechter-commissaris in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie een deskundige benoemen en opdracht verlenen. De advocaat-generaal kan zich ook tot de voorzitter van het gerechtshof wenden met het verzoek om een raadsheer-commissaris aan te wijzen die met het opdragen van deskundigenonderzoek en eventueel het horen van een deskundige wordt belast.
Artikel 6
Kennisgeving aan de raadsman van de opdracht tot deskundigenonderzoek (notificatie)
Onderdeel van Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2013