Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Scheidslijn technisch opsporingsonderzoek / deskundigenonderzoek

Onderdeel van Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2013

Aangezien de informatieverplichting van artikel 150a lid 1 Sv alleen geldt bij een opdracht tot deskundigenonderzoek, is het van belang te omschrijven wat als zodanig wordt aangemerkt en welk onderzoek deskundigenonderzoek is en welk onderzoek niet omdat het tot et domein van de opsporingsinstanties behoort en dus technisch opsporingsonderzoek is. Onderzoeken die doorgaans door de forensische opsporing of specialistische functionarissen van andere opsporingsinstanties worden verricht, worden beschouwd als technisch opsporingsonderzoek (bijvoorbeeld dactyloscopisch onderzoek). Een opsomming van de technische opsporingsonderzoeken wordt gegeven in de bij deze aanwijzing behorende bijlagen 1, 2 en 3. De onderzoeken genoemd in bijlage 3 vallen daar slechts onder, voor zover zij worden verricht door een opsporingsinstantie. Indien er twijfel bestaat of een bepaald type onderzoek onder de reikwijdte van de in de aanhef genoemde bijlagen valt, dient in overleg met de officier van justitie te worden bepaald of de benoeming van de deskundige al dan niet door tussenkomst van de rechter-commissaris dient plaats te vinden. De officier van justitie kan zich in dit soort gevallen laten adviseren door de forensisch officier van justitie. Zo dient in alle gevallen waarin sprake is van een onderzoek als gevolg waarvan van het aangetroffen sporenmateriaal (nagenoeg) niets meer overblijft (zogenoemd destructief onderzoek), de opsporingsinstantie contact op te nemen met de officier van justitie. Dit dient ertoe om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om, in overleg met de FO-officier, te beoordelen of er een deskundige moet worden benoemd en of de verdediging kan/moet worden betrokken bij het formuleren van de onderzoeksvraag en bij de keuze van de te benoemen deskundige. Dit geldt ook voor die gevallen waarbij aan een spoor meerdere soorten (vervolg)onderzoek kunnen worden uitgevoerd. In die gevallen dient de volgorde van de uit te voeren onderzoeken in overleg met de officier van justitie te worden bepaald c.q. afgestemd. Het bepalen van de scheidslijn tussen technisch opsporingsonderzoek en deskundigenonderzoek als bedoeld in de wet loopt langs twee lijnen: de fase van het opsporingsonderzoek; het onderzoeksgebied. Onderscheid wordt gemaakt tussen de eerste fase ofwel voorfase van het opsporingsonderzoek (dat is de fase van het verzamelen en veiligstellen én van het voorbereidend onderzoek aan sporen, veelal – maar niet uitsluitend – op de plaats delict/incident) en de fase van de interpretatie en analyse van het verkregen sporenmateriaal, bijvoorbeeld in een laboratorium. In deze fase die, zoals hiervoor beschreven is, aan de fase van de analyse en interpretatie van het spoor vooraf gaat, is geensprake van deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv, ook niet wanneer deskundigen van buiten de opsporingsinstanties (TNO, het Nederlands Instituut voor fysieke veiligheid (voorheen NIBRA), het NFI enz.) daaraan bijstand verlenen. Het feit dat die experts mogelijk als deskundige zijn geregistreerd in het NRGD, maakt hun inzet niet tot deskundigenonderzoek. Voor een niet-limitatieve opsomming van de onderzoeken die behoren tot de voorfase in het opsporingsonderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 van de aanwijzing. Door de bewoordingen die in deze bijlage veelvuldig worden gebruikt (‘veiligstellen’, ‘assistentie’, ‘consult’, ‘vooronderzoek’) wordt telkens tot uitdrukking gebracht dat hier de fase van het interpreteren en analyseren nog niet is aangebroken en dat deze handelingen zich derhalve afspelen in de daaraan voorafgaande fase. Dit geldt nadrukkelijk voor alle onderzoeken uit Bijlage 1, ook wanneer in de omschrijving ervan de zojuist bedoelde bewoordingen niet zijn gebezigd. Wanneer er geen sprake is van de voorfase, maar van de fase waarin het sporenmateriaal wordt geanalyseerd en geïnterpreteerd, is het antwoord op de volgende vraag van belang: kan het analyseren en interpreteren plaatsvinden door middel van standaardmatig en reproduceerbaar onderzoek4Dit betreft onderzoeken die limitatief staan vermeld in bijlage 2. Deze lijst, die nauw aansluit bij de Producten en Diensten Catalogus van het NFI, zal telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, worden geactualiseerd. zoals genoemd in bijlage 2? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, kan het betreffende onderzoek of door de politie worden uitgevoerd of door een geaccrediteerd laboratorium. In beide gevallen is sprake van technisch opsporingsonderzoek. Wordt voorgaande vraag ontkennend beantwoord dan zal tot slot de vraag moeten worden gesteld of er sprake is van ander technisch opsporingsonderzoek behorende tot één van de onderzoeksgebieden zoals beschreven in bijlage 3. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord kan de politie dit onderzoek uitvoeren op basis van deze aanwijzing. Wordt bij een bevestigend antwoord het technisch opsporingsonderzoek door de politie uitbesteed aan een derde, dan is evenwel een formele benoeming op basis van de Wet deskundige in strafzaken vereist. Dit geldt ook wanneer de vraag ontkennend wordt beantwoord (zie bijlage 4: beslisschema). Onderzoek wordt niet aangemerkt als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv als het plaatsvindt op een onderzoeksgebied5De voor deze onderzoeksgebieden geldende FT-normen zijn beschikbaar op Politie Kennis Net (zie OMtranet links in het scherm onder favorieten). dat is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 3 én het wordt verricht door een opsporingsinstantie. Er is in dat geval sprake van technisch opsporingsonderzoek. Onderzoek wordt wel aangemerkt als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv wanneer: het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie; het onderzoek onder een onderzoeksgebied valt dat niet is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 3; het onderzoek een (nadere) analyse of beoordeling van de bevindingen van het technisch opsporingsonderzoek inhoudt en niet verricht wordt door een opsporingsinstantie; het onderzoek een contra-onderzoek betreft en niet wordt verricht door een opsporingsinstantie. De officier van justitie is bevoegd opdracht te geven tot alle vormen van deskundigenonderzoek, maar hij kan alleen zelfstandig deskundigen benoemen die geregistreerd zijn in het NRGD. Als regel maakt de officier gebruik van deskundigen die zijn geregistreerd in het NRGD, tenzij er bijzondere reden zijn om hiervan af te wijken. Als er geen geregistreerde deskundige (beschikbaar) is, dient de officier van justitie een vordering in bij de rechter-commissaris, strekkende tot de benoeming van een niet-geregistreerde deskundige (art. 176 Sv). De officier van justitie kan bij de vordering aan de rechter-commissaris een gemotiveerd voorstel voor benoeming van een deskundige doen. Dat vergemakkelijkt de besluitvorming.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel