1. 1. De lokale spoorweginfrastructuur wordt zodanig aangelegd dat de lokale spoorweginfrastructuur:
    • - a. in goede staat verkeert, betrouwbaar en beschikbaar is;
    • - b. geschikt is voor het gebruik waarvoor zij is bestemd;
    • - c. bij normaal gebruik geen gevaar of schade oplevert voor personen of zaken; en
    • - d. veilig en doelmatig met de toegestane maximumsnelheid kan worden bereden.
  2. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels omtrent dit artikel worden gesteld.