Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Uitgesloten bedrijfsmiddelen

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 27 maart 2014

Bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden, komen niet in aanmerking voor de KIA (artikel 3.45, tweede lid, van de Wet IB 2001). Bij investeringen in bepaalde roerende zaken maak ik een onderscheid tussen enerzijds het rechtstreeks als zodanig ter beschikking stellen aan derden en anderzijds het binnen het kader van de eigen bedrijfsuitoefening gebruiken. Bij dit onderscheid kan naar mijn mening de hoofdwerkzaamheid van de onderneming van belang zijn. de hoofdwerkzaamheid van de onderneming is gericht op het ter beschikking stellen Als de hoofdwerkzaamheid van de onderneming is gericht op het ter beschikking stellen van roerende zaken, ook in het geval van een kortstondige periode, komen deze niet in aanmerking voor KIA. In die situatie wordt een prijs betaald om gebruik te mogen maken van het desbetreffende bedrijfsmiddel als zodanig. Als voorbeelden valt hierbij te denken aan speciaal voor verhuur bestemde roerende zaken zoals videobanden, dvd’s, gereedschappen, stoelen, servies, steigers, tenten, fietsen, aanhangwagens, kano’s en dergelijke. het ter beschikking stellen van het desbetreffende bedrijfsmiddel is niet het bedrijfsdoel Een investering in een bedrijfsmiddel dat ter beschikking wordt gesteld kan onder de volgende omstandigheden in principe in aanmerking komen voor investeringsaftrek. Als het ter beschikking stellen van het desbetreffende bedrijfsmiddel: geen bedrijfsdoel op zichzelf is, als ondergeschikte nevenprestatie uitsluitend deel uitmaakt van een meer omvattende dienstverlening waarvoor een all-in-prijs wordt berekend, dit geheel van diensten de hoofdwerkzaamheid is van de onderneming, en deze dienstverlening op zichzelf niet is aan te merken als het verhuren of op andere wijze ter beschikking stellen van het bedrijfsmiddel als zodanig. Hierbij kan worden gedacht aan het ter beschikking stellen van bestek in een restaurant, een pan bij het geven van kookles, een zadel bij het geven van paardrijles, een golfclub bij een midgetgolfspel, een bowlingbal bij een bowlingspel, een paintballgeweer bij een paintballspel. De Vereniging Automatenhandel Nederland (VAN) heeft (in het verleden) een model-exploitatieovereenkomst opgesteld waarbij aan de exploitant toebehorende speelautomaten bij derden ter exploitatie worden geplaatst. In een dergelijke situatie is enerzijds sprake van ter beschikking stellen aan derden in de zin van artikel 3.45, tweede lid, van de Wet IB 2001, anderzijds is sprake van aanwending daarvan binnen de eigen onderneming. Ik neem het standpunt in dat exploitanten die gebruik maken van bovengenoemde modelovereenkomst, in aanmerking komen voor investeringsaftrek ter zake van investeringen in speelautomaten. Bij toepassing van deze modelovereenkomst – het gaat dan om overeenkomsten waarbij de opbrengst voor minder dan 70% toekomt aan de derde waar de automaat geplaatst is – is geen sprake van het hoofdzakelijk ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen aan derden in de zin van artikel 3.45, tweede lid, van de Wet IB 2001. Dit standpunt geldt eveneens voor zogenoemde kinderautomaten (automaten waarop ‘een ritje’ kan worden gemaakt). In zijn arrest van 22 mei 1991, nr. 26 935, heeft de Hoge Raad beslist dat het in reischarter geven van een schip voor de toepassing van de WIR niet kan worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van dat schip in de zin van artikel 61a, vijfde lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet IB 1964 (tekst 1983). Het in time-charter geven van een schip wordt voor de toepassing van de KIA eveneens niet als ter beschikking stellen in de zin van artikel 3.45, tweede lid, van de Wet IB 2001 aangemerkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel