Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Investeren

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 27 maart 2014

EIA en MIA bij samenwerkingsverbanden. Drempelbedrag (tot 2014) De drempels genoemd in artikel 3.42, derde lid, en artikel 3.42a, derde lid, van de Wet IB 2001 (tekst tot 2014) moeten per ondernemer worden beoordeeld. Voor een vennoot in een samenwerkingsverband wordt derhalve in beginsel slechts gelet op zijn aandeel in de investeringen binnen het vennootschappelijke verband. Fiscaalrechtelijk bezien drijft iedere vennoot immers – in het vennootschappelijke verband – zijn eigen onderneming. Ik keur goed dat bij samenwerkingsverbanden op gezamenlijk, ondertekend verzoek uitsluitend voor de vraag of het drempelbedrag wordt overschreden, de beoordeling geschiedt naar het totale bedrag van de investeringen van de gezamenlijke vennoten van het samenwerkingsverband. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, van een of meer vennoten onherroepelijk vaststaat. Daarbij verklaren de belastingplichtigen er mee in te stemmen dat bij vervreemding van het desbetreffende bedrijfsmiddel de toepassing van artikel 3.47, eerste lid, van de Wet IB 2001 voor de gezamenlijke vennoten plaatsvindt over de overdrachtsprijs van het bedrijfsmiddel. Niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 (KIA) of € 2.500 (EIA, MIA vanaf 2014 (artikel 3.45 van de Wet IB 2001)). De beoordeling van deze uitsluiting dient plaats te vinden per bedrijfsmiddel en niet per ondernemer. Het is dus voor deze beoordeling niet van belang uit hoeveel vennoten een samenwerkingsverband bestaat. Als ondernemers deel uitmaken van een samenwerkingsverband geldt een samentelbepaling voor de bepaling van de hoogte van de investeringen (artikel 3.41, derde lid, van de Wet IB 2001). Deze bepaling is ook van toepassing in situaties waarin het samenwerkingsverband een zogenoemde kostenmaatschap opricht waarin de investering wordt gedaan. De investering telt dan mee voor de bepaling van de hoogte van de investeringen van het samenwerkingsverband. Als sprake is van een samenwerkingsverband, is de vraag welke verdeelsleutel bij de bepaling van de hoogte van de investeringsaftrek per firmant als uitgangspunt dient te worden genomen. Een reguliere wetstoepassing leidt er toe dat door elke deelnemer is geïnvesteerd naar rato van zijn gerechtigdheid tot de (over)winst. Ik keur goed dat uitsluitend voor de toepassing van de investeringsaftrek, voor het antwoord op de vraag in welke mate de vennoten hebben geïnvesteerd, bij het standpunt van belastingplichtigen kan worden aangesloten. Ik stel hierbij de volgende voorwaarden: alle vennoten hanteren hetzelfde verdelingscriterium; de verdeling vindt plaats op redelijke basis (zie hierna); de verdeling vindt toepassing op alle vormen van investeringsaftrek; de verdeling vindt toepassing op alle vennootschappelijke investeringen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; bij de berekening van de desinvesteringsbijtelling mag niet van een andere verdeling worden uitgegaan dan destijds bij de investeringsaftrek is gehanteerd; en een gezamenlijk, ondertekend verzoek waarin de keuze van de verdeelsleutel is opgenomen en akkoord wordt gegaan met de voorwaarden, wordt ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen of de aanslag vennootschapsbelasting van een van de deelnemers aan het samenwerkingsverband onherroepelijk vaststaat. ad b. Redelijke verdeling De inspecteur toetst of sprake is van een redelijke verdeling. In het algemeen kan een verdeling worden aanvaard volgens bijvoorbeeld: de kapitaalsverhouding, de aandelen in de stille reserves, de aandelen in de winst, of gelijke delen. Omdat de kapitaalsverhouding pas kenbaar is na een tussentijdse afsluiting van de boeken, mag de kapitaalsverhouding volgens de eindbalans van het laatst afgesloten boekjaar als uitgangspunt worden genomen, mits die verdeling tot een redelijke uitkomst leidt. Van een redelijke verdeling van een investering over de leden van het samenwerkingsverband is geen sprake als een investering geheel wordt toegerekend aan de beherende vennoten terwijl commanditaire vennoten/natuurlijke personen telijk zijn uitgesloten van de faciliteit. Bij een verdeling van de investering over uitsluitend de beherende vennoten wordt de uitsluiting van commanditaire vennoten voor de artikelen 3.42 en 3.42a van de Wet IB 2001 buiten werking gesteld. Een dergelijke verdeling is niet toegestaan. Tijdens de parlementaire behandeling is aandacht besteed aan investeringen binnen een commanditaire vennootschap in relatie tot de uitsluitingsbepalingen voor de commanditaire vennoot/natuurlijk persoon. Daarbij is aangegeven dat o.a. voor de investeringsaftrek alleen de ondernemers en rechtspersonen meetellen (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 26 727, nr. 17, p. 62). Daardoor wordt over het deel van het investeringsbedrag dat niet aan de ondernemers en rechtspersonen in het samenwerkingsverband wordt toegerekend, geen investeringsaftrek genoten. Van een onredelijke verdeling is geen sprake als het totale bedrag van de investeringsaftrek niet is gemaximeerd tot het bedrag dat bij een verdeling overeenkomstig de gerechtigdheid tot de (over)winst zou zijn genoten. Als de leden van een samenwerkingsverband onderling geen afspraken maken over de verdeling van de investeringsaftrek over gezamenlijke investeringen of als niet voldaan is aan de hiervoor vermelde voorwaarden, zal de inspecteur een verdeelsleutel op basis van de winstgerechtigdheid als uitgangspunt nemen. Als sprake is van een samenwerkingsverband tellen bij het bepalen van het maximale bedrag aan energie-investeringen op grond van artikel 3.42, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 alleen de energie-investeringen van de andere ondernemers en de belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting in het samenwerkingsverband mee. Commanditaire vennoten tellen dus niet mee. Een samenwerkingsverband bestaat uit zes deelnemers, twee beherende vennoten en vier commanditaire vennoten. De totale energie-investering van het samenwerkingsverband bedraagt € 150.000.000. De beherende vennoten zijn ieder gerechtigd tot 40% van de energie-investering (ieder € 60.000.000), de commanditaire vennoten ieder tot 5%. Het plafond voor het desbetreffende kalenderjaar bedraagt € 118.000.000. Het voor ieder van de beherende vennoten geldende plafond wordt als volgt bepaald: 60.000.000/120.000.000 x € 118.000.000 = € 59.000.000 (dus niet: 60.000.000/150.000.000 x € 118.000.000= € 47.200.000) De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 1975, nr. 17 795, beslist dat bij aanwending van een vervangingsreserve de investeringsaftrek behoort te worden verleend over het met de vervangingsreserve verminderde investeringsbedrag (investeringsaftrek zoals die gold tot 24 mei 1978). Het door de Hoge Raad met betrekking tot de investeringsaftrek ingenomen standpunt heeft, naar uit het arrest blijkt, tot gevolg dat de eventuele desinvesteringsbijtelling voor het afgestane bedrijfsmiddel wordt berekend over de verkoopwaarde verminderd met de vervangingsreserve, welk bedrag gelijk is aan de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel. In geval van ruil van bedrijfsmiddelen had de Hoge Raad reeds in deze geest geoordeeld (13 maart 1968, nr. 15 848 en 15 oktober 1969, nr. 16 194). Ik keur goed dat voor de berekening van de investeringsaftrek als vermeld in artikel 3.40 van de Wet IB 2001 als grondslag wordt genomen de kostprijs van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd, zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, onder de hierna vermelde voorwaarden. Hierbij merk ik nog het volgende op. Bij de bepaling van het investeringsbedrag, zoals bedoeld in artikel 3.41, tweede lid, 3.42, derde lid, en 3.42a, derde lid, van de Wet IB 2001, moet, als meer vormen van investeringsaftrek van toepassing zijn op de investering, dezelfde grondslag in aanmerking worden genomen. Wellicht ten overvloede wijs ik er in verband met het vorenstaande op, dat het in voorkomende situaties voor belastingplichtigen onvoordelig kan zijn gebruik te maken van de in dit besluit verleende goedkeuring. Voor gevallen waarin de zogenoemde ruilarresten toepassing vinden, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Een belastingplichtige mag per bedrijfsmiddel bepalen of hij gebruik maakt van de goedkeuring. Aan de toepassing van deze goedkeuring zijn de volgende voorwaarden verbonden: Is investeringsaftrek genoten over de kostprijs van een bedrijfsmiddel zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, dan zal de belastingplichtige zich bij desinvestering van zowel het vervangende als het afgestane bedrijfsmiddel niet op het standpunt stellen dat hij, bij het bepalen van de hoogte van de desinvesteringsbijtelling, de boekwaarde ten tijde van de inruil als grondslag wenst te hanteren (overeenkomstig de opvatting van de Hoge Raad). Als grondslag zal gelden de overdrachtsprijs dan wel de waarde in het economische verkeer. Als blijkt dat is uitgegaan van een te hoge grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek, wordt de belastingplichtige geacht geen verzoek om toepassing van het onderhavige besluit te hebben gedaan, zodat de investeringsaftrek alsnog overeenkomstig de opvatting van de Hoge Raad moet worden berekend. Als blijkt dat de belastingplichtige bij vervreemding van het bedrijfsmiddel waarvoor de investeringsaftrek op basis van het onderhavige besluit in aanmerking is genomen, – in strijd met voorwaarde a – zich alsnog op het standpunt stelt dat de boekwaarde van het afgestane bedrijfsmiddel de grondslag voor de desinvesteringsbijtelling moet vormen, dan wel als blijkt dat een situatie zoals beschreven bij voorwaarde b zich heeft voorgedaan, kan in ieder geval gedurende vijf kalender (boek-)jaren na het jaar waarin deze situaties zijn geconstateerd, geen beroep op dit onderdeel van het besluit worden ingewilligd. Voor de relevante (toekomstige) investeringen zal dan overeenkomstig de opvatting van de Hoge Raad investeringsaftrek worden verleend en desinvesteringsbijtelling worden toegepast. De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek volgens bovenstaande regeling, moet voor elk jaar waarin een dergelijke investering plaatsvindt, een verzoek hiertoe in de aangifte opnemen. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met de aan deze goedkeuring verbonden voorwaarden. In de jaarstukken komt bij het desbetreffende bedrijfsmiddel tot uitdrukking of van deze goedkeuring gebruik is gemaakt. Als de vraag niet met ‘ja’ wordt beantwoord, kan van de onderhavige goedkeuring geen gebruik gemaakt worden. De hiervoor onder b genoemde voorwaarde alsmede de sancties hierop, strekken ertoe misbruik van bovenstaande regeling te voorkomen. Een dergelijk misbruik acht ik bijvoorbeeld aanwezig als de inruilprijs van het vervangen bedrijfsmiddel doelbewust wordt verhoogd teneinde voor het nieuw aangeschafte bedrijfsmiddel een hoge grondslag voor de berekening van investeringsaftrek te creëren. Dit geldt eveneens als bij de bepaling van de grondslag voor de berekening van investeringsaftrek doelbewust wordt uitgegaan van de – in vele branches gebruikelijke – zogenoemde bruto-adviesprijzen, zonder dat rekening gehouden wordt met de aldaar gebruikelijke kortingen die zouden worden verleend als geen sprake is van inruil. De kortingen worden dan verleend in de vorm van een hogere inruilprijs. Ik wijs hierbij op de uitspraken van Hof Leeuwarden van 11 februari 1983, nr. 915/82, en Hof Arnhem 8 februari 1989, nr. 2693/1987, gewezen onder de werking van artikel 61a van de Wet IB 1964. Ik acht het onjuist dat de grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek elementen bevat die op deze wijze leiden tot een te hoge investeringsaftrek. Culturele instellingen en lichamen zonder aandeelhouders of deelgerechtigden die een sociaal belang behartigen en de winst hoofdzakelijk behalen met behulp van vrijwilligers, kunnen een zogenoemde bestedingsreserve vormen (artikel 12 van de Wet VPB). Voor de toepassing van de investeringsaftrek keur ik goed dat onderdeel 4.2 van dit besluit op overeenkomstige wijze wordt toegepast in de situatie waarin een bestedingsreserve wordt afgeboekt op de aanschaffings-, voortbrengings- of verbeteringskosten van bedrijfsmiddelen. Als in een boekjaar een door een calamiteit teloorgegaan net aangeschaft bedrijfsmiddel wordt vervangen, kunnen de wettelijke regels er toe leiden dat minder of zelfs geen recht bestaat op KIA. Bij de invoering van de investeringsaftrek is bepaald dat als voor KIA wordt gekozen, het niet mogelijk is bepaalde bedrijfsmiddelen buiten aanmerking te laten. De wetgever wilde niet dat een belastingplichtige door manipulatie zijn investeringsaftrek zou kunnen maximaliseren. In de bovenbedoelde situatie is daarvan geen sprake. Als in een boekjaar een door een calamiteit teloorgegaan net aangeschaft bedrijfsmiddel wordt vervangen, keur ik goed dat het teloorgegane bedrijfsmiddel niet meetelt voor de toepassing van de investeringsaftrek. De goedkeuring ziet op de investeringsaftrek; het is dus niet mogelijk gebruik te maken van de goedkeuring voor de toepassing van de KIA en tegelijk voor de toepassing van de MIA of EIA wèl uit te gaan van twee investeringen (als het bedrijfsmiddel op de energie- of milieulijst zou staan). X koopt een vrachtwagen voor € 102.000. Een week na de aankoop gaat de vrachtwagen in vlammen op. Van de verzekeringspenningen wordt meteen daarna – opnieuw – een zelfde vrachtwagen gekocht. In het boekjaar wordt derhalve voor € 204.000 aan vrachtwagens gekocht. Overigens heeft X geen investeringen gedaan. De KIA bedraagt in dat jaar € 7.783. Was er geen brand geweest dan had de KIA € 15.470 bedragen (één vrachtwagen). Door de goedkeuring telt de eerste investering van € 102.000 niet mee. X krijgt KIA over € 102.000. Vanaf 2014 zijn woonhuizen en woonschepen niet langer uitgesloten van MIA. Beoogd is bedrijfsmatige verhuurders van woonruimte in aanmerking te laten komen voor MIA als zij asbesthoudende daken van woonhuizen vervangen. Bij de parlementaire behandeling heb ik toegezegd voor zoveel nodig goed te keuren dat bij de vervanging van asbesthoudende daken sprake is van een verbetering (investering) en niet van onderhoud (Kamerstukken II 2013/2014, 33 752, nr. 11, p. 73). Onderstaande goedkeuring voorziet daarin en geldt vanaf 2014 ook voor niet-woningen. Met ingang van 1 januari 2014 mag onder onderstaande voorwaarde de vervanging van asbesthoudende daken, dakgoten of gevels (milieulijst 2014 nummers F6390, C6400) voor de investeringsaftrek als investering worden aangemerkt. Er hoeft dus geen onderscheid te worden gemaakt tussen onderhoud en verbetering. De totale uitgave mag als investering worden aangemerkt. Dat betekent dat niet alleen MIA kan worden verkregen maar – als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan – ook KIA. De voorwaarde luidt dat de belastingplichtige die gebruik maakt van de goedkeuring ook in zijn winstbepaling rekening moet houden met het feit dat de dakvervanging is aangemerkt als investering. De onderhoudscomponent mag dus niet ineens als kosten in mindering worden gebracht bij het bepalen van de winst, maar moet ook als investering worden behandeld. Op investeringen wordt afgeschreven, mogelijk kan de belastingplichtige gebruik maken van de Vamil.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel