In dit onderdeel ga ik achtereenvolgens in op de volgende verzekeringen.
Duitse Rentenversicherung;
Duitse Krankenversicherung;
Duitse Pflegeversicherung;
Duitse Unfallversicherung;
Belgische Rijksbijdrage Sociale Zekerheid (RSZ);
Bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid;
Belgische hospitalisatieverzekering;
Vlaamse zorgverzekering;
Luxemburgse ‘cotisations pension’;
Luxemburgse ‘cotisations sociales’.
De Duitse Rentenversicherung betreffende de wettelijke verzekering voor de oudedag en het overlijden bevat elementen van een algemene ouderdomsregeling zoals de Nederlandse AOW/Anw. Omdat het overheersende karakter van de regeling echter dat van een pensioenregeling (tweede pijlervoorziening) is en de regeling qua resultaat bovendien niet overtreft hetgeen onder het Nederlandse systeem is toegestaan, heb ik het standpunt ingenomen dat de genoemde regeling geen pensioenregeling is in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet LB, maar dat de desbetreffende aanspraken op grond van artikel 3.81 van de Wet IB – met overeenkomstige toepassing van artikel 19d van de Wet LB – niet tot het in artikel 3.80 van de Wet IB bedoelde loon behoren en de desbetreffende inhoudingen op het loon in mindering komen.
De Duitse Krankenversicherung is een wettelijke ziektekostenverzekering die wordt gefinancierd door premies van werkgevers en werknemers. De Krankenversicherung is vergelijkbaar met de Zvw. De door de werkgever betaalde premie behoort op grond van artikel 11d van de Wet LB niet tot het fiscale loon.
De Duitse Pflegeversicherung is een wettelijke verzekering die een aanspraak geeft op zorg voor mensen die een geestelijke of lichamelijke ziekte of handicap hebben die langdurig van aard is. De premie is afhankelijk van het inkomen en werknemers en werkgevers betalen ieder de helft. De Pflegeversicherung wijkt af van de Zvw, waardoor de door de werkgever betaalde premie niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 11d van de Wet LB valt en derhalve wel tot het fiscale loon behoort.
De Duitse Unfallversicherung is een wettelijke bedrijfsongevallenverzekering. Werknemers, studenten en scholieren zijn verzekerd voor ongelukken op het werk en op school en op de heen- en terugweg. Prioriteit van de verzekering is herstel van de gezondheid en/of de arbeidsgeschiktheid van de verzekerde. De premies worden opgebracht door werkgevers. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdelen e en f, van de Wet LB of eventueel artikel 11d van de Wet LB, behoren de door de werkgever betaalde premies niet tot het loon.
In de aanvullende toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting ‘Wonen in Nederland en werken in Duitsland’ is een schema opgenomen waarmee het Duitse loon kan worden omgerekend naar Nederlands loon. Deze aanvullende toelichting kan via www.belastingdienst.nl worden gedownload. In bepaalde gevallen houden ook Nederlandse werkgevers sociale premies in en dragen deze af aan de Duitse instanties voor sociale zekerheid. Deze premie wordt fiscaal op dezelfde wijze behandeld als premie die Duitse werkgevers inhouden.
Belgische RSZ-premie is premie voor voorzieningen als:
werkloosheid;
uitkeringen ziekte en invaliditeit;
geneeskundige verzorging;
pensioenen (rust- en overlevingspensioen).
De componenten a en b zijn vergelijkbaar met de Nederlandse WW en ZW. Het deel van de RSZ-premie dat hierop betrekking heeft, komt bij de omrekening naar het Nederlandse fiscale loon in aftrek op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 3°, van de Wet LB in samenhang met het eerste lid, onderdeel e, van dat artikel.
Component c is vergelijkbaar met de Nederlandse Zvw. Het deel van de RSZ-premie dat betrekking heeft op geneeskundige verzorging is niet aftrekbaar van het loon. Het werkgeversaandeel in de premie geneeskundige verzorging behoort op grond van artikel 11d van de Wet LB niet tot het loon. Het maximeren van de waardering van de Belgische ziektekostenaanspraken, zoals bedoeld in artikel 3.12, vierde lid, van de URLB, is als gevolg hiervan niet aan de orde.
Het Belgische rust- en overlevingspensioen (component d) bevat elementen van een algemene ouderdomsregeling zoals de Nederlandse AOW/Anw. Omdat het overheersende karakter van de regeling echter dat van een pensioenregeling (tweede pijlervoorziening) is en de regeling qua resultaat bovendien niet overtreft hetgeen onder het Nederlandse systeem is toegestaan, heb ik het standpunt ingenomen dat de genoemde regeling geen pensioenregeling is in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet LB, maar dat de desbetreffende aanspraken op grond van artikel 3.81 van de Wet IB – met overeenkomstige toepassing van artikel 19d van de Wet LB – niet tot het in artikel 3.80 van de Wet IB bedoelde loon behoren en de desbetreffende inhoudingen op het loon in mindering komen.
In de aanvullende toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting ‘Wonen in Nederland en werken in België’ is een schema opgenomen waarmee het Belgische loon kan worden omgerekend naar Nederlands loon. Deze aanvullende toelichting kan via www.belastingdienst.nl worden gedownload. In bepaalde gevallen houden ook Nederlandse werkgevers RSZ-premie in en dragen deze af aan de Belgische instanties voor sociale zekerheid. Deze premie wordt fiscaal op dezelfde wijze behandeld als premie die Belgische werkgevers inhouden.
Bestuurders van een Belgische onderneming vallen onder het sociaal statuut der zelfstandigen. Zij moeten zich aansluiten bij een socialeverzekeringsfonds. Bij hen wordt geen RSZ-premie ingehouden, maar een bijdrage op aanslag geheven. Deze op aanslag betaalde bijdrage is naar aard en strekking vergelijkbaar met de bij werknemers ingehouden RSZ-premie. Hiervoor (onderdeel d) heb ik het standpunt ingenomen dat de met het rust- en overlevingspensioen verband houdende aanspraken en inhoudingen niet tot het in artikel 3.80 van de Wet IB bedoelde loon behoren. Over de jaren tot en met 2000 konden deze bestuurders het deel van de RSVZ-bijdrage dat betrekking had op het rust- en overlevingspensioen als beroepskosten in aanmerking nemen. Vanaf 1 januari 2001 is een einde gekomen aan de beroepskostenaftrek. Met de belastingherziening 2001 is echter niet beoogd een wijziging aan te brengen in de behandeling van de op aanslag betaalde RSVZ-bijdrage. Ik heb daarom het volgende goedgekeurd.
Ik keur goed dat belanghebbenden het deel van de op aanslag betaalde RSVZ-bijdrage dat betrekking heeft op het rust- en overlevingspensioen als negatief loon in aanmerking kunnen nemen.
De bijdrage voor het rust- en overlevingspensioen kan worden gesteld op 63% van de verschuldigde RSZ-premie. Dit percentage is afgeleid uit het gedeelte van de RSZ-premie dat bij werknemers als eigen bijdrage of vrijgestelde aanspraak niet tot het loon wordt gerekend (23,59%) ten opzichte van de in totaal door de werkgever verschuldigde premie (37,94%).
De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, die in België wordt geheven, is bestemd voor de sociale zekerheid als geheel en is dus niet toe te rekenen aan een bepaalde tak van de sociale zekerheid. Bij de herleiding van Belgisch loon naar Nederlands loon kan deze bijdrage in mindering worden gebracht voor zover zij kan worden toegerekend aan aanspraken die niet tot het loon behoren. De niet tot het loon behorende aanspraken worden gesteld op 73% van de bijzondere bijdrage. Bovenstaande behandeling van de op het loon ingehouden bijzondere bijdrage sociale zekerheid geldt niet alleen voor grensarbeiders, maar ook voor andere werknemers die in België verzekerd zijn en in Nederland belastingplichtig zijn. De overige 27% van de bijzondere bijdrage valt onder de Belgische ziektekostenaanspraak en kan door de werknemer niet in mindering worden gebracht op het loon.
De Belgische hospitalisatieverzekering is een aanvullende verzekering voor kosten ter zake van ziekenhuisopname en bepaalde kosten voorafgaand aan of volgend op ziekenhuisopname. Bij sommige ziekenfondsen zijn er mogelijkheden tot verdere uitbreiding van de dekking van ziektekostenrisico’s. Zowel de werkgever als de werknemer kan de verzekering afsluiten. De inhoud van de verzekering kan in overleg met de verzekeringnemer en de verzekeraar worden bepaald. De premie voor de hospitalisatieverzekering die door de werknemer wordt betaald, is niet aftrekbaar. De aanspraak van de werknemer op de hospitalisatieverzekering valt op grond van artikel 10 van de Wet LB onder het loon. Artikel 11d van de Wet LB is daarbij niet van toepassing. Volgens artikel 3.12 van de URLB wordt deze aanspraak gewaardeerd op de bedragen die bij een derde worden gestort om de aanspraak te dekken. De waarde kan worden verminderd met de bij de werknemer ingehouden premie.
De Vlaamse zorgverzekering geeft recht op een tegemoetkoming in de niet-medische hulp- en dienstverlening. Wordt de verzekerde ernstig en langdurig hulpbehoevend, dan kan hij een maandelijkse tegemoetkoming krijgen om de niet-medische kosten te betalen. De Vlaamse zorgverzekering valt onder de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004. Inwoners van Nederland die Belgisch sociaal verzekerd zijn wegens actuele of vroegere tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied (al dan niet in combinatie met tewerkstelling in andere Belgische taalgebieden), zijn verplicht zich aan te sluiten bij de Vlaamse zorgverzekering. Inwoners van Nederland die Belgisch sociaal verzekerd zijn wegens actuele of vroegere tewerkstelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid tot vrijwillige aansluiting. Voor de zorgverzekering is een bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage betaalt betrokkene rechtstreeks aan de uitvoerders van de Vlaamse zorgverzekering, de Belgische ziekenfondsen.
De bijdrage kan niet worden aangemerkt als een uitgave voor inkomensvoorzieningen en kan ook niet anderszins in mindering worden gebracht op het inkomen. De tegemoetkoming op grond van de Vlaamse zorgverzekering komt naar aard en strekking overeen met de persoonsgebonden budgetten in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ. Op grond van artikel 3.104, onderdeel q, in samenhang met artikel 3.104, onderdeel j, van de Wet IB zijn de tegemoetkomingen uit de Vlaamse zorgverzekering vrijgesteld als publiekrechtelijke uitkering.
De Luxemburgse pensioenregeling bevat elementen van een algemene ouderdomsregeling zoals de Nederlandse AOW/Anw. Omdat het overheersende karakter van de regeling echter dat van een pensioenregeling (tweede pijlervoorziening) is en de regeling qua resultaat bovendien niet overtreft hetgeen onder het Nederlandse systeem is toegestaan, heb ik het standpunt ingenomen dat de genoemde regeling geen pensioenregeling is in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet LB, maar dat de desbetreffende aanspraken op grond van artikel 3.81 van de Wet IB – met overeenkomstige toepassing van artikel 19d van de Wet LB – niet tot het in artikel 3.80 van de Wet IB bedoelde loon behoren en de desbetreffende inhoudingen op het loon in mindering komen.
Tegenover de ’cotisations sociales’ staan drie soorten verzekeringen. De premie ter zake van de ‘Assurance dépendance’ heeft betrekking op aanspraken op hulp in geval van hulpbehoevendheid (door ouderdom en/of lichamelijke gebreken). Deze premie komt niet in mindering op het loon aangezien deze aanspraken niet vergelijkbaar zijn met de in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB bedoelde aanspraken.
In de tweede plaats staan tegenover de ‘cotisations sociales’ aanspraken op inkomensvervangende uitkeringen bij ziekte en zwangerschap. Deze aanspraken zijn naar aard en strekking vergelijkbaar met aanspraken ingevolge de Ziektewet (ZW). Deze premie komt in mindering op het loon op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 3°, van de Wet LB in samenhang met het eerste lid, onderdelen f en e, van dat artikel.
In de derde plaats staan tegenover de ‘cotisations sociales’ aanspraken op verzorging bij ziekte en vergoeding van ziektekosten. Deze premie komt niet in mindering op het loon aangezien deze aanspraken niet vergelijkbaar zijn met de in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB bedoelde aanspraken.
De vraag is hoe de ‘cotisations sociales’, na aftrek van de premie voor de ‘Assurance dépendance’, moet worden toegerekend aan de met de ZW-vergelijkbare aanspraken en de met de Zvw-vergelijkbare aanspraken. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de uitspraak van 15 november 2006, nr. 04/02922, ECLI:NL:GHAMS:2006:2675AZ, voor die toerekening het standpunt van partijen gevolgd. Dat standpunt was dat de ‘cotisations sociales’ na aftrek van de premie voor de Assurance dependance voor 50% toegerekend kon worden aan de met de ZW-vergelijkbare aanspraken en voor 50% aan met de Zvw-vergelijkbare aanspraken. Ik heb op zichzelf geen bezwaar tegen deze verdeling van de ‘cotisations sociales’. Hierbij merk ik op dat het werkgeversaandeel in de premie voor met de Zvw-vergelijkbare aanspraken op grond van artikel 11d van de Wet LB niet tot het loon behoort. Het werknemersaandeel in de premie voor met de ZW-vergelijkbare aanspraken komt wel in mindering op het loon.
Artikel 4
Duitse, Belgische en Luxemburgse sociale verzekeringen
Onderdeel van Buitenlandse sociale verzekeringen, Duitse, Belgische en Luxemburgse sociale zekerheid, aftrek premie en belastbaarheid uitkeringen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 8 april 2014