Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Beleidsregel handhaving chartaal toezicht eurobankbiljetten· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 15 mei 2014

De Nederlandsche Bank NV (DNB) heeft een handhavende bevoegdheid op grond van artikel 9c, eerste lid Bankwet 1998, en artikel 6, eerste lid van de Verordening Valsemunterij (Vo. Valsemunterij), voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten.1Verordening (EG) 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2001, L 181, laatstelijk gewijzigd door Verordening (EG) 44/2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2009, L 17 Dit houdt onder andere in dat DNB bevoegd is tot oplegging van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Hieronder wordt ingegaan op het beleid dat door DNB wordt toegepast voor de handhaving van: artikel 9a, eerste tot en met derde lid Bankwet 1998, artikel 6, eerste lid van de Vo. Valsemunterij, voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten, en het ECB-Besluit 2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten, De bepalingen waarop de chartaal toezichtstaak is gebaseerd komen als eerste aan de orde (paragraaf 2). Daarna wordt omschreven op welke wijze DNB toezicht houdt op de naleving van deze bepalingen (paragraaf 3) en volgen de doelstelling en uitgangspunten die de chartaal toezichthouders hanteren bij hun handhavingsbeleid (paragraaf 4). Tot slot wordt uiteengezet welke factoren een rol spelen bij de inzet van handhavingsinstrumenten (paragraaf 5).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel