Hoe dient de omvang van het passend eigen vermogen te worden bepaald?
Antwoord:
De omvang van het bij de activiteiten en gelopen risico’s passend eigen vermogen dient te worden bepaald op basis van de feiten en omstandigheden van het geval. Hoewel een dienstverleningslichaam activiteiten binnen concern verricht en een bancaire instelling diensten verleent jegens derde partijen, kan voor het vaststellen van het passend eigen vermogen ten aanzien van de verstrekte leningen in voorkomende gevallen bijvoorbeeld het Bazels kapitaalakkoord naar analogie worden toegepast. Het Bazels kapitaalakkoord gaat uit van risicogewogen activa; dat wil zeggen, via een risicoweging wordt aan een bepaald activum een minimumkapitaalvereiste gekoppeld. Analoge toepassing van het Bazels kapitaalakkoord is een voorbeeld van een mogelijke methode voor vaststelling van het passend eigen vermogen; andere methoden voor het vaststellen van het passend eigen vermogen zijn ook denkbaar.
Vereist is dat het dienstverleningslichaam minimaal een bij de door het dienstverleningslichaam verrichte functies passend eigen vermogen heeft (rekening houdend met de gebruikte activa en de gelopen risico’s). Is dit een andere eis dan het aan te houden eigen vermogen op basis van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101, zijnde 1% van het bedrag van de geldlening dan wel een bedrag van € 2 miljoen?
Antwoord:
Ja, het minimaal aan te houden eigen vermogen op basis van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101 en de passend eigen vermogen eis zoals opgenomen in de bijlage van dat besluit, zijn twee verschillende voorwaarden. Of het eigen vermogen ‘passend’ is dient te worden gerelateerd aan het totaal van de activiteiten van het dienstverleningslichaam en de daarbij gelopen risico’s. Twee voorbeelden ter illustratie.
Voorbeeld 1
Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een geldlening verstrekt van € 200 miljoen en houdt een eigen vermogen aan van € 2 miljoen. Er zijn ten aanzien van de geldlening geen garanties verstrekt. DVL loopt ten aanzien van deze transactie zodanige risico’s dat op basis van een analoge toepassing van het Bazels kapitaalakkoord) – dat is een mogelijke methode voor vaststelling van het passend eigen vermogen – het passend eigen vermogen bijvoorbeeld kan worden gesteld op 4% van de uitgaande lening, ofwel € 8 miljoen. Er is geen sprake van een passend vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit en er wordt geen zekerheid vooraf verstrekt.
Voorbeeld 2
Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een eigen vermogen van € 2 miljoen, dat volledig is belegd in een Nederlandse staatslening. Daarnaast heeft DVL een geldlening verstrekt van € 200 miljoen, die volledig is gefinancierd met een van een groepsmaatschappij aangetrokken lening. Het risico dat DVL loopt ten aanzien van de groepsleningen is door garanties van een groepsmaatschappij beperkt tot € 2 miljoen. Op basis van het Bazels kapitaalakkoord heeft een lening aan de overheid van een OESO-land (zoals Nederland) een risicogewogen waarde van 0) (er wordt geen risico gelopen). Tegenover de Nederlandse staatslening zou derhalve op basis van het risicoprofiel geen eigen vermogen hoeven te worden aangehouden. Er is sprake van een passend eigen vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit omdat de € 2 miljoen eigen vermogen ter beschikking staat om het aan de lening gerelateerde risico te dragen. Er kan derhalve zekerheid vooraf worden verkregen.
Artikel III (e)
Substance – passend eigen vermogen
Onderdeel van Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid vooraf (DGB 2014/3101), besluit Behandeling verzoeken zekerheid vooraf in vorm van Advance Tax Ruling (ATR) (DGB 2014/3099)· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 13 juni 2014