Naar hoofdinhoud
1. De Procureur-Generaal of de door de Minister van Justitie daartoe aangewezen dienst, verwittigt na ontvangst van het verzoekschrift, bedoeld in artikel 2, de Minister van Justitie en brengt daarbij een advies uit omtrent de toewijsbaarheid van het verzoek, gegrond op de door hem daartoe ingewonnen inlichtingen. Na ontvangst van het verzoekschrift en het advies van de Procureur-Generaal of de door de Minister van Justitie daartoe aangewezen dienst, beslist de Minister van Justitie binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verzoekschrift over de toewijsbaarheid van het verzoek. 2. Indien de Minister van Justitie van oordeel is dat het verzoek dient te worden toegewezen, zendt hij de door hem uitgevaardigde beslissing onverwijld aan zijn ambtgenoot in het land waarin voortzetting van de tenuitvoerlegging wordt aangezocht. Daarbij doet hij ook de voor de beoordeling van het verzoek relevante bescheiden aan zijn ambtgenoot toekomen. Voorts wordt verzoeker onverwijld van deze beslissing in kennis gesteld. 3. Indien de Minister van Justitie van oordeel is dat het verzoek dient te worden afgewezen, deelt hij deze afwijzing onverwijld aan verzoeker schriftelijk mede. Deze schriftelijke mededeling behelst een uiteenzetting van de redenen die tot deze afwijzing hebben geleid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel