Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Titel 2.29

Artikel 2.29.10

Verplichtingen subsidieontvanger

Onderdeel van Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 25 april 2026

1. De penvoerder dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten. De eerste tussenrapportage wordt uiterlijk een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ingediend. 2. Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens: de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde proefprojecten, de effecten van uitgevoerde proefprojecten op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot toekomstbestendig agrarisch natuurbeheer; het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van proefprojecten; de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers; het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan; indien de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, door het samenwerkingsverband worden verricht, een kaart waarop van beheermaatregelen op perceelsniveau wordt aangegeven waar de beheermaatregelen uitgevoerd gaan worden of uitgevoerd zijn. 3. De resultaten en tussenresultaten van de proefprojecten worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie. 4. De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie. 5. Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform. 6. Indien de subsidieontvanger mede actief is in de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten, maar als terreinbeheerder hoofdzakelijk activiteiten verricht die betrekking hebben op natuurbeheer of natuurherstel, voert de subsidieontvanger een zodanige administratie dat met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten aantoonbaar is dat de subsidie niet ten goede komt aan de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel