Onze Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

  • - a. door de toepassing van een de-minimisverordening, een bedrag aan de-minimis steun zou worden verstrekt dat hoger is dan geoorloofd op grond van deze verordening;
  • - b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de activiteiten kunnen financieren;
  • - c. het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;
  • - d. het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;
  • - e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;
  • - f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;
  • - g. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;
  • - h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;
  • - i. de kosten die in aanmerking komen voor subsidie niet aannemelijk of redelijk zijn;
  • - j. het een aanvrager betreft, tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  • - k. er naar het oordeel van Onze Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.