Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 5

Raming van de verzekerdenaantallen 2015 voor het macro-deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

Onderdeel van Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2015· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 6 mei 2015

1. Het Zorginstituut raamt de verzekerdenaantallen 2015 voor het macro-deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg met inachtneming van het bepaalde in dit artikel. 2. Het Zorginstituut baseert zich bij de raming op de macroverzekerdenraming 2015 en het PKB 2014. 3. Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het PKB 2014 met als peildatum 1 mei 2014, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2014. 4. Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, bepaalt het Zorginstituut de verzekeringsduur voor die verzekerde naar rato van het aantal zorgverzekeraars waar de verzekerde over die periode ingeschreven is geweest. 5. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op het PKB 2014 met als peildatum 1 mei 2014. 6. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium leeftijd en geslacht naar de macroverzekerdenraming. 7. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium aard van het inkomen per zorgverzekeraar met betrekking tot: de leeftijd, op het PKB 2014; de zelfstandigen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomensbron op peildatum 30 juni 2013; de arbeidsongeschikten, bijstandsgerechtigden en de referentiegroep, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron op peildatum 30 juni 2013; de studenten, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2014. 8. Het Zorginstituut deelt een verzekerde die in meerdere klassen voor het criterium aard van het inkomen is in te delen, in op basis van het bepaalde in artikel 4, achtste lid. 9. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium aard van het inkomen naar de macroverzekerdenraming. 10. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot: de indeling, op de regioclusters geneeskundige GGZ naar viercijferige postcode voor 2015 uit bijlage 11 bij de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 oktober 2014 met kenmerk 671602-126798-Z; de viercijferige postcode, op het PKB 2014. 11. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium GGZ-regio naar de macroverzekerdenraming. 12. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op: de indeling in FKG GGZ 2015 uit bijlage 6 bij de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 oktober 2014 met kenmerk 671602-126798-Z. de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer per 1 juni 2014 van declaraties farmaceutische hulp 2013 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut. 13. Bij de bepaling van FKG GGZ zijn de volgende farmaceutische middelen uitgesloten: middelen die in de G-standaard van Z-Index zijn aangemerkt als niet voor vergoeding in aanmerking komend op grond van artikel 2.8 Besluit zorgverzekering; middelen die in de G-standaard van Z-Index zijn aangemerkt als grond- en hulpstoffen. 14. Het Zorginstituut hanteert een drempel van meer dan 180 standaarddagdoseringen per klasse van het criterium FKG GGZ. Beneden deze drempel deelt het Zorginstituut een verzekerde niet in bij een klasse van het criterium FKG GGZ, anders dan ‘geen FKG psychische aandoeningen’. 15. In afwijking van het bepaalde in het veertiende lid hanteert het Zorginstituut voor de klasse FKG psychose depot een drempel van één receptregel en een DDD-factor van ten minste 3500. Beneden deze drempel deelt het Zorginstituut een verzekerde niet in de klasse FKG psychose depot in. 16. In afwijking van het bepaalde in het veertiende lid hanteert het Zorginstituut voor de klasse FKG GGZ bipolair complex een drempel van meer dan 180 standaarddagdoseringen voor de klasse FKG GGZ bipolair regulier en ten minste één voorschrift van de indicator bipolair complex. Beneden deze drempel deelt het Zorginstituut een verzekerde niet in de klasse FKG GGZ bipolair complex in. 17. Het Zorginstituut koppelt de opgave, bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2014 en bepaalt op basis hiervan en met behulp van de drempels, bedoeld in het veertiende, vijftiende en zestiende lid, in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klasse. 18. Bij samenloop van klassen van het criterium FKG GGZ deelt het Zorginstituut een verzekerde in in alle toepasselijke klassen FKG GGZ met inachtneming van de volgende uitzonderingen: Indien een verzekerde is ingedeeld in de klasse FKG GGZ psychose depot, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse FKG GGZ psychose; Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse FKG GGZ bipolair complex, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse FKG GGZ bipolair regulier. 19. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG GGZ 2015 een trendfactor toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. De toegepaste trendfactoren staan vermeld in de Verantwoording Verzekerdenraming 2015 die het Zorginstituut op zijn website publiceert. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het zeventiende lid, met de prevalentieontwikkeling en herberekent de zwaarte voor de verzekerde voor de betreffende klasse. Het Zorginstituut zet verzekerden die in het PKB 2014 voor het eerst voorkomen per FKG GGZ klasse op de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB. 20. Als een verzekerde niet in andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in. 21. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ naar de macroverzekerdenraming. 22. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium SES per zorgverzekeraar met betrekking tot: de leeftijd, op het PKB 2014; het inkomen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst over het jaar 2012; het inkomen, op gegevens over het jaar 2011 wanneer voor 2012 geen gegevens beschikbaar zijn; de adresgegevens, op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in de opgave van de Belastingdienst 2013; de adresgegevens, indien deze in de opgave van de Belastingdienst ontbreken, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2014. 23. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium SES naar de macroverzekerdenraming. 24. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op: de indeling in DKG GGZ 2015 uit de indelingstabel psychische DKG’s; de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2014 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ die in 2012 geopend zijn; declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2011 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ, zoals zorgverzekeraars die op 1 juni 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd. 25. Het Zorginstituut bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, en het PKB 2013 per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt en betrekt daarbij de declaraties, bedoeld in het vorige lid, onderdeel c. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1. 26. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2013 voor het eerst voorkomen per DKG GGZ klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het PKB 2013 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2014, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de prevalentie constant blijft. 27. Als een verzekerde niet in een DKG GGZ klasse 1 tot en met 5 valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in DKG GGZ klasse ‘0’ in. 28. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG’s GGZ naar de macroverzekerdenraming. 29. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op: declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2010 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ tot en met 31 december 2012, zoals zorgverzekeraars die op 1 juni 2013 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2011 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ tot en met 31 december 2013, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; het VPPKB 2010, het VPPKB 2011 en het VPPKB 2012. 30. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot vereveningsjaar 2010, 2011 respectievelijk 2012 tot drempelbedragen GGZ-MHK 2010, 2011 respectievelijk 2012. 31. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het PKB 2013 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld. 32. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2014, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de prevalentie constant blijft. 33. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ in. 34. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK naar de macroverzekerdenraming. 35. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium éénpersoonsadres per zorgverzekeraar met betrekking tot: de adresgegevens, op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in de opgave van de Belastingdienst 2013; de adresgegevens, indien deze in de opgave van de Belastingdienst 2013 ontbreken, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2014. 36. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium éénpersoonsadres naar de macroverzekerdenraming. 37. Het Zorginstituut deelt verzekerden woonachtig in het buitenland van achttien jaar en ouder uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, GGZ-MHK en aard van het inkomen. Overeenkomstig artikel 7 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium FKG GGZ in in de klasse 'Geen FKG psychische aandoeningen' en voor het criterium DKG GGZ in de klasse ‘0’.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel