Naar hoofdinhoud

Artikel 3

De gezondheidskundige verzorging van de mens door beroepsbeoefenaren die onder de Wet BIG vallen

Onderdeel van Omzetbelasting, vrijstelling; artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 1°, Wet op de omzetbelasting 1968· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 2 april 2016

Op grond van de tekst van de wet en, in het verlengde daarvan, de Wet BIG is de vrijstelling van toepassing als aan de volgende criteria is voldaan: de diensten worden verricht door beoefenaren van een beroep waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet BIG (§ 3. e.v.); en de diensten betreffen de gezondheidskundige verzorging van de mens (zie § 3.1); en de beroepsbeoefenaren zijn in het daartoe ingestelde register ingeschreven (voor zover de Wet BIG daarin voorziet); en de verrichte diensten behoren tot het deskundigheidsgebied van de desbetreffende beroepsbeoefenaar en vormen een onderdeel van de BIG-opleiding (zie § 3.2); en het gaat om diensten die worden verricht aan de individuele patiënt (zie § 5). De reikwijdte van de vrijstellingsbepaling is beperkt tot diensten die bestaan in de gezondheidskundige verzorging van de mens. Van gezondheidskundige verzorging van de mens is sprake als het voornaamste doel van de (para)medische handeling is de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid van de mens. Dat betekent dat in het algemeen voor de vrijstelling in aanmerking komen therapeutische handelingen die ten doel hebben een diagnose te stellen (bijvoorbeeld via het verrichten van psychologisch onderzoek door middel van een test door een GZ-psycholoog), te behandelen en, voor zoveel mogelijk, te genezen van ziekten. Het HvJ heeft de hiervoor opgesomde criteria die inhouden dat de gezondheidskundige verzorging van de mens een therapeutisch doel moet hebben in bepaalde opzichten genuanceerd. Zo is de vrijstelling ook van toepassing op therapeutische handelingen die worden verricht voor doeleinden van preventie ofwel in de gevallen waarin de patiënt nog geen ziekte blijkt te hebben.1HvJ, 20 november 2003, nr. C-307/01 (Peter d'Ambrumenil). De dienst door een derde (géén medische beroepsbeoefenaar) kan ook gezondheidskundige verzorging van de mens zijn als deze dienst onderdeel is van een medische behandeling die in zijn geheel gezien een therapeutisch doel heeft en deze dienst naar zijn aard een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel uitmaakt van de medische behandeling waarvan de ene fase niet kan slagen zonder de andere.2HvJ 18 november 2010, C-156/09 (Verigen). Voor de toepassing van de vrijstelling en voor de kwalificatie of er sprake is van gezondheidskundige verzorging is niet van belang of de medische beroepsbeoefenaar bij het verrichten van diensten die bestaan in de gezondheidskundige verzorging van de mens onder leiding en toezicht staat van een andere medische beroepsbeoefenaar die mogelijk ook de eindverantwoordelijkheid draagt.3HR 13 juni 2014, nrs.12/02960 en13/05580, ECLI:NL:HR:2014: 374 en ECLI:NL:HR:2014:375. Het moeten opvolgen van instructies of het in acht moeten nemen van de geldende regels in bijvoorbeeld een ziekenhuis staat de toepassing van de vrijstelling niet in de weg. Cosmetische geneeskunde (cosmetische chirurgie en andere cosmetische medische behandelingen) behoort tot de gezondheidskundige verzorging van de mens als het voornaamste doel van de behandeling is de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid van de mens. Dat is het geval als de cosmetische geneeskundige behandeling een therapeutisch doel dient. Dat betekent dat cosmetische ingrepen die uitsluitend tot doel hebben de verfraaiing van het uiterlijk niet onder het begrip gezondheidskundige verzorging kunnen worden gebracht. Alleen in deze evidente gevallen is btw verschuldigd.4HvJ 21 maart 2013, C-91/12 (PFC CLINIC AB). De medische beroepsbeoefenaar die cosmetische ingrepen verricht, moet in zijn btw-administratie een onderscheid maken tussen de ingrepen waarbij een therapeutisch doel wél aanwezig is en de ingrepen waarbij dat niet het geval is. Het is aan de medische beroepsbeoefenaar om te beoordelen of een medische handeling een therapeutisch doel dient. Dit geldt niet alleen voor diensten op het gebied van de cosmetische geneeskunde. Ook voor andere medische handelingen, bijvoorbeeld sportkeuringen, geldt dat de medische beroepsbeoefenaar vaststelt of de sportkeuring een therapeutisch doel heeft. De Belastingdienst kan slechts marginaal toetsen of de medische beroepsbeoefenaar de vrijstelling voor cosmetische ingrepen juist toepast. De inspecteur kan geen inhoudelijk oordeel op medisch vlak geven en kan in beginsel ook geen inzage vragen in het medische dossier. Een Wet BIG-beroepsbeoefenaar kan de btw-vrijstelling toepassen op alle gezondheidskundige handelingen die behoren tot zijn deskundigheidsgebied zoals omschreven in de Wet BIG. De Wet BIG geeft een omschrijving van het deskundigheidsgebied van alle beroepen waarvoor in artikel 3 van de Wet BIG regels zijn gesteld. Voor beroepen die krachtens artikel 34 van de Wet BIG bij AMvB zijn geregeld, wordt in de AMvB het deskundigheidsgebied omschreven. Als het deskundigheidsgebied in de Wet BIG of in de AMvB krachtens de Wet BIG nauwkeurig is omschreven, vallen alleen de omschreven handelingen onder de vrijstelling (zie ook § 4). Dit is bijvoorbeeld het geval bij verloskundigen en bij medische beroepsbeoefenaren die krachtens artikel 36a van de Wet BIG bij AMvB zijn aangewezen. Tot het deskundigheidsgebied van een arts wordt op grond van de Wet BIG gerekend het verrichten van handelingen op het terrein van de geneeskunst. Hieronder vallen alle gezondheidskundige handelingen die zijn gericht op het behoeden voor en het genezen van ziekten en het beoordelen van de gezondheidstoestand van de mens. Voor de toepassing van de vrijstelling worden daaronder ook verstaan de niet-reguliere c.q. alternatieve handelingen.5Gerechtshof Den Bosch 11 september 2015, nr. 14/00971, ECLI:NL:GHSHE:2015:3527. De wettelijke voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling dat de gezondheidskundige diensten onderdeel moeten vormen van de opleiding die bij of krachtens de Wet BIG is vereist, geldt door de uitspraak van Gerechtshof Den Bosch niet in alle situaties. Het gerechtshof heeft namelijk vastgesteld dat de inhoud van de opleiding tot arts niet bij of krachtens de Wet BIG is vastgelegd. De opleidingscentra zijn vrij om deze inhoud met inachtneming van de opleidingseisen die zijn neergelegd in een algemene maatregel van bestuur behorende bij de Wet BIG vast te stellen. In overeenkomstige gevallen geldt hetzelfde voor andere Wet BIG-beroepsbeoefenaren waar de inhoud van de opleiding niet in of bij de Wet BIG zijn opgenomen of ruimte laten voor vrije invulling door opleidingscentra.

Rechtspraak bij dit artikel