Naar hoofdinhoud

§ 3

Artikel 14

Wijze van beoordeling getrokken werktuig

Onderdeel van Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten 2016· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2016

1. Indien het een aanvraag voor een getrokken werktuig betreft, waarbij niet wordt voldaan aan artikel 5.18.11 van de Regeling voertuigen, geldt het volgende: een oplegger, uitgevoerd als getrokken werktuig waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer dan 12,00 m bedraagt, en een trekker waarbij de totale lengte van de voertuigen meer dan 22,00 m en maximaal 27,00 m bedraagt, moet ten minste voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in bijlage A, artikel 12 van de Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015; een aanhangwagen, niet zijnde oplegger, uitgevoerd als getrokken werktuig waarbij de totale lengte meer bedraagt dan 12,00 m en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen maximaal 22,00 m is, wordt geacht te voldoen aan de draaiproefeisen in bijlage A, artikel 12 van de Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015; een aanhangwagen, niet zijnde oplegger,uitgevoerd als getrokken werktuig waarbij de totale lengte meer dan 12,00 m bedraagt en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen maximaal 27,00 m bedraagt, moet ten minste voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in bijlage A, artikel 12 van de Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015; een oplegger, uitgevoerd als getrokken voertuig waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer dan 12,00 m bedraagt, en een trekker waarbij de totale lengte van de voertuigen meer dan 27,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van zijn voorzien van gedwongen besturing volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG; een aanhangwagen, niet zijnde oplegger uitgevoerd als getrokken werktuig waarbij de totale lengte meer dan 12,00 m bedraagt en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen meer dan 27,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van zijn voorzien van gedwongen besturing dan wel zelfsturende besturing achterassen volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG. 2. Bij een getrokken werktuig waarbij niet wordt voldaan aan artikel 5.12.6, zesde lid van de Regeling voertuigen mag de breedte niet worden veroorzaakt door de breedte van de as of het asstel. 3. Indien het een aanvraag voor een getrokken werktuig betreft, waarbij niet wordt voldaan aan artikel 5.18.17b tot en met artikel 5.18.17e van de Regeling voertuigen, geldt het volgende: een aanhangwagen, niet zijnde oplegger, uitgevoerd als middenasaanhangwagen met maximaal 2 assen kan in aanmerking komen voor een verhoging van de aslasten tot maximaal 10.000 kg indien het asstel een compenserend asstel betreft; een aanhangwagen uitgevoerd als oplegger met minimaal drie assen en waarbij de onderlinge afstand tussen de assen minimaal 1,30 m en maximaal 1,80 m bedraagt, kan in aanmerking komen tot een verhoging van de aslasten tot maximaal 10.000 kg, indien het een compenserend asstel betreft; een aanhangwagen, niet zijnde oplegger of middenasaanhangwagen, met minimaal 4 assen kan in aanmerking komen voor een verhoging van de aslasten tot maximaal 10.000 kg, indien het een compenserend asstel betreft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel