Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Regeling A

Onderdeel van Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016–2019· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 9 maart 2017

Er geldt een aantal voorwaarden om een bijdrage te krijgen voor de frictiekosten.3De Minister behoudt zich het recht voor om de voorwaarden aan te passen, mochten er omstandigheden zijn van dringende aard die hierom vragen. De wijzigingen hebben geen gevolg voor reeds ingediende aanvragen. Bij aanpassing van de voorwaarden worden het Commissariaat, de RPO en de regionale publieke media-instellingen hierover schriftelijk geïnformeerd. De aanvraag dient te worden vergezeld van een reorganisatieplan dat door de raad van toezicht van de rpmi is goedgekeurd. Het reorganisatieplan voorziet in de realisatie van een structurele besparing. Onder structurele besparing wordt in het kader van deze frictiekostenregeling verstaan: een permanente (meerjarige) vermindering van de kosten. Het reorganisatieplan bevat een overzicht van concreet voorgenomen organisatorische en bedrijfseconomische maatregelen om de te realiseren besparing van de rpmi in te vullen. Het plan biedt zodanig inzicht in de voorgenomen organisatorische en bedrijfseconomische maatregelen en de te realiseren besparing dat de aannames die ten grondslag liggen aan de structurele besparing van de rpmi kunnen worden getoetst. In het reorganisatieplan wordt verder per jaar nader omschreven wat de gevolgen zijn voor de personele bezetting en de materiële middelen en de bijbehorende frictiekosten van de rpmi. Bij regeling A gaat het om frictiekosten die worden gerealiseerd in de periode 2016 tot en met 2019. Deze kosten komen, met inachtneming van de andere voorwaarden van deze regeling, in aanmerking voor een bijdrage. De aanvraag dient hiertoe aan de hand van het reorganisatieplan inzichtelijk te maken in welk jaar welke frictiekosten worden verwacht. Ook meerjarige aanvragen zijn mogelijk. Gelet op voorgenoemde tijdperiode kan een aanvraag worden ingediend tot en met 2019. Voor het toekennen van een bijdrage wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht van de rpmi. De rpmi dient in haar aanvraag op grond van de jaarrekening aan te tonen dat zij niet beschikt over naar het oordeel van de Minister voldoende vermogen waarmee de frictiekosten, waarvoor een bijdrage wordt gevraagd, gedekt kunnen worden. Vermogen is hierbij gedefinieerd als het verschil tussen de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de rpmi en de balanswaarde van de vaste activa van de rpmi per 31 december 2015 na resultaatbestemming, voor zover de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de rpmi de balanswaarde van de vaste activa overstijgt. Bij voorzieningen gaat het uitsluitend om voorzieningen die zijn gevormd met het oog op de uitvoering van reorganisaties. Indien de rpmi bij de aanvraag van een bijdrage ook rekening houdt met een reorganisatie in een of meerdere van haar deelnemingen, dan wordt de eigen bijdrage verhoogd met het verschil tussen de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de desbetreffende deelneming en de balanswaarde van de vaste activa van de deelneming per 31 december 2015 na resultaatbestemming, voor zover de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de deelneming de balanswaarde van de vaste activa overstijgt. Bij voorzieningen gaat het uitsluitend om voorzieningen die zijn gevormd met het oog op de uitvoering van reorganisaties. De rpmi dient daartoe alle relevante informatie bij de aanvraag voor een bijdrage te overleggen. De RPO adviseert de Minister over de aanvraag. De RPO is krachtens artikel 2.60a, derde lid, Mediawet 2008 onder andere belast met de volgende taken: bevordering van de samenwerking en coördinatie op regionaal niveau met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht; behartiging van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de regionale publieke mediadienst en de rpmi’s; bevordering van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod; de inrichting, instandhouding, beheer en exploitatie van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten en distributie-infrastructuren die voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau nodig zijn. Vanuit het oogpunt van deze taken adviseert de RPO de Minister over de aanvraag. De aanvraag dient te worden vergezeld van een advies van de ondernemingsraad van de rpmi dat op basis van de Wet op de ondernemingsraden is ingewonnen. De reorganisatieplannen dienen, als onderdeel van de aanvraag, aantoonbaar rekening te houden met het advies van de ondernemingsraad. Het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) toetst de aanvraag aan deze regeling en adviseert de Minister. Niet alle kosten van de rpmi komen in aanmerking voor een bijdrage. Uitsluitend frictiekosten komen in aanmerking voor een bijdrage. Frictiekosten worden gedefinieerd als kosten die: noodzakelijk zijn voor de uitvoering van reorganisatieplannen van de rpmi als gevolg van de opgelegde overheidsbezuinigingen; aangeduid kunnen worden als reorganisatiekosten van de rpmi zoals gedefinieerd in Richtlijn 252.412 tot en met 252.417 van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (hierna: RJ).4Zie www.rjnet.nl voor meer informatie over de Richtlijnen. In de RJ wordt een reorganisatie omschreven als ‘een programma dat gepland en beheerst wordt door de leiding van de rechtspersoon en de aard van de bedrijfsactiviteiten van de rechtspersoon of de wijze waarop deze wordt geleid wezenlijk verandert.’ (RJ 121.314); waarbij ook reorganisatiekosten die worden gerealiseerd bij een deelneming van de rpmi reorganisatiekosten kunnen zijn als hierboven bedoeld, mits de rpmi honderd procent aandeelhouder is van de deelneming in geval de deelneming een kapitaalvennootschap is of het bestuur ervan volledig wordt benoemd door de rpmi in geval de deelneming een stichting is; de deelneming bestaat op de datum van inwerkingtreding van deze regeling; de activiteiten van de deelneming uitsluitend bijdragen aan de uitoefening van de publieke media-opdracht door de rpmi; de reorganisatiekosten van de deelneming aantoonbaar voor rekening en risico van de rpmi komen; de bezuinigingen bij de deelneming aantoonbaar bijdragen aan de realisatie van de besparing bij de rpmi; niet in verband staan met de doorlopende activiteiten van de rpmi en haar deelneming, tenzij de kosten: eenmalig van aard zijn (zullen zich uitsluitend voordoen binnen de periode 2016 tot en met 2019); leiden tot een structurele besparing van minstens 10% op de uitgaven die gemoeid gaan met de uitvoering van de desbetreffende activiteiten;5De omvang van de besparing dient te worden berekend door de uitgaven aan de desbetreffende activiteit in het jaar van de aanvraag te vergelijken met de verwachte uitgaven na de implementatie van de maatregelen die zich richten op het verbeteren van de doelmatigheid van de desbetreffende activiteit. noodzakelijk zijn bij het waarborgen van een noodzakelijke back-upfunctie, indien de besparing wordt gerealiseerd door de desbetreffende activiteiten uit te besteden aan een commerciële partij, mits de uitgaven aan deze back-up-functie zijn begrensd in een tijdsperiode van maximaal zes maanden. Deze periode kan worden verlengd, indien er sprake is van een uitzonderlijke noodzaak daartoe. Deze noodzaak dient te worden aangetoond door de rpmi; verband houden met het personeel van de rpmi, noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een sociaal plan en die vallen in de volgende kostencategorieën als bedoeld in de Sociale Regeling (hierna: SR), bijlage XV van de cao voor omroeppersoneel:6cao voor het Omroeppersoneel, 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. kosten van de financiële regeling, bedoeld in artikel 8, onderdeel b en c, SR. Voor topfunctionarissen geldt dat de financiële regeling indien aangegaan na 1 januari 2013 dient te voldoen aan het bepaalde in de Wet Normering Bezoldiging Topfunctionarissen Publieke en Semipublieke Sector; kosten van juridische bijstand als bedoeld in artikel 8, onderdeel f, SR;7Kosten zoals opgenomen in onderdeel g van de SR zijn hiervan uitgesloten. reiskosten voor sollicitaties als bedoeld in artikel 8, onderdeel l, SR; kosten van de additionele vergoeding freelancejaren als bedoeld in artikel 9, SR; kosten van actieve bemiddeling als bedoeld in artikel 10, SR; kosten van remplaçantenvergoedingen als bedoeld in artikel 11, SR; kosten van pensioenverzekering als bedoeld in artikel 12, onderdeel a, SR; kosten van gratificaties dienstjubileum als bedoeld in artikel 12, onderdeel b, SR; kosten van kwijtschelding terugbetalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 12, onderdeel c, SR; kosten van de Begeleidingscommissie als bedoeld in artikel 13, onderdeel e, SR. verband houden met het personeel van de rpmi en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Vrijwillige vertrekregeling, bedoeld in artikel 3 van het Addendum bij de SR.8‘Addendum behorende bij Sociale Regeling (Bijlage XV) uit de CAO voor het omroeppersoneel d.d. 1 januari 2015 t/m 31 december 2016 (hierna ook: CAO)’, namens de werkgevers getekend op 18 juli 2016 en namens drie werknemersorganisaties getekend op respectievelijk 19 en 25 juli en 3 augustus 2016. Als maximum voor deze kosten gelden de kosten als gevolg van de boventalligheid zoals beschreven in het reorganisatieplan dat voor een reorganisatie-adviesaanvraag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van het Addendum is voorgelegd aan de OR, met een specificatie van het aantal fte per functiegroep met bijbehorende schaal, voor zover deze kosten zouden ontstaan doordat voor al deze fte’s een beroep op de Vrijwillige vertrekregeling zou worden gedaan. Voor een bijdrage komen slechts in aanmerking kosten waarvoor op respectievelijk 31 december 2016, 31 december 2017, 31 december 2018 of 31 december 2019 een reorganisatievoorziening is opgenomen. Voorbeelden van kosten die niet onder reorganisatiekosten vallen zijn (niet limitatief): kosten van externe inhuur om activiteiten op te vangen als gevolg van openstaande vacatures, piekbelasting of vervanging langdurig ziekte; kosten van opleidingen / training om het kennisniveau van medewerkers op peil te houden (zonder dat functiewijziging als gevolg van de reorganisatie heeft plaatsgevonden); wervingskosten die gemaakt worden voor het vervullen van vacatures ontstaan door natuurlijk verloop (bij vrijwillig vertrek); reguliere vervangings- of uitbreidingsinvesteringen; afschrijvingskosten of andersoortige kosten die niet leiden tot uitgaven van de rpmi; kosten in verband met de afkoop van contracten; kosten die organisaties maken waaraan de rpmi activiteiten wil uitbesteden of waarmee de rpmi wil samenwerken. Voor een bijdrage komen slechts in aanmerking kosten die in totale omvang maximaal de helft bedragen van de omvang van de beoogde structurele besparing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel