Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Procedure 2017–2019

Onderdeel van Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016–2019· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 9 maart 2017

Rpmi’s die in aanmerking willen komen voor een bijdrage in de frictiekosten kunnen daarvoor in de volgende aanvraagperiodes een aanvraag indienen, als volgt: van 1 januari tot en met 31 maart 2017 en van 1 juli tot en met 30 september 2017 voor de jaren 2017 tot en met 2019; van 1 januari tot en met 31 maart 2018 en van 1 juli tot en met 30 september 2018 voor de jaren 2018 en 2019; van 1 januari tot en met 31 maart 2019 en van 1 juli tot en met 30 september 2019 voor het jaar 2019 voor Regeling A, hetzij van 1 januari tot en met 31 maart 2019 voor het jaar 2019 voor Regeling B.11Voor in 2016 gerealiseerde frictiekosten geldt een afzonderlijke regeling, zie onder paragraaf 5. Procedure 2016. Een aanvraag is conform het format frictiekostenregeling en bevat een overzicht van de verwachte reorganisatiekosten.12Zie bijlage 2 ‘Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 1. Aanvraag frictiekosten’. Tevens wordt inzicht geboden in het vermogen conform het format frictiekostenregeling.13Zie bijlage 2 ‘Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 1. Aanvraag frictiekosten’. Een aanvraag wordt vergezeld van: een reorganisatieplan dat is goedgekeurd door de raad van toezicht van de rpmi, met toetsbare aannames over de structurele besparing; de desbetreffende jaarrekening; een advies van de ondernemingsraad; een assurance rapport, zoals opgenomen in het controleprotocol van deze regeling.14Zie bijlage 1 ‘Controleprotocol Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019’. Indien een aanvraag niet volledig is, wordt een termijn gesteld waarbinnen de aanvullende gegevens door de rpmi wordt verstrekt. Aanvragen die niet tijdig zijn ingediend of die niet, nadat daartoe een termijn is gesteld, tijdig zijn aangevuld, worden afgewezen. Het Commissariaat stuurt de volledige aanvragen dadelijk aan de RPO. De RPO adviseert de Minister over de aanvragen per aanvraagperiode in onderlinge samenhang vanuit het oogpunt van het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst en de rpmi’s en de mate waarin de aanvraag de doelmatige inzet van gelden bevordert. Onderdeel van het advies kan zijn om bepaalde kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen. De RPO adviseert de Minister binnen twaalf weken na ontvangst van de volledige aanvragen per rpmi over de kosten die voor een bijdrage in aanmerking komen en de te verlenen bijdrage. Het Commissariaat toetst de aanvragen per aanvraagperiode in onderlinge samenhang aan de voorwaarden van deze regeling, waaronder de aannames die ten grondslag liggen aan de structurele besparing, met in achtneming van wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk en aanvaardbaar is en adviseert de Minister hierover. Onderdeel van het advies kan zijn om bepaalde kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen. Het Commissariaat adviseert de Minister binnen twaalf weken na indiening van de volledige aanvragen per rpmi over de kosten die voor een bijdrage in aanmerking komen en de te verlenen bijdrage. De Minister besluit over verlening van de bijdrage binnen acht weken na ontvangst van de adviezen van het Commissariaat en de RPO, maar uiterlijk binnen tweeëntwintig weken na indiening van de volledige aanvragen. De Minister kan daarbij omvang en ritme van te betalen voorschotten bepalen. Indien bij regeling B het maximumbedrag zou worden bereikt, geeft de Minister die aanvragen voorrang die naar verwachting meer geschikt zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van deze frictiekostenregeling. De Minister zendt een afschrift van zijn besluiten aan het Commissariaat en de RPO. De Minister doet betalingen aan de rpmi’s door tussenkomst van het Commissariaat. De rpmi draagt er zorg voor dat uit de administratie te allen tijde de voor de vaststelling van de bijdrage van belang zijnde reorganisatiekosten en de reorganisatievoorziening, inclusief verloopstaat (dotaties, onttrekkingen) herkenbaar blijken. Ook dienen betalingen, ontvangsten (waaronder ontvangsten uit hoofde van vergoeding frictiekosten) en eventueel overige rechten en verplichtingen samenhangend met de reorganisatievoorziening herkenbaar uit de administratie te blijken. Verder dient de rpmi jaarlijks in haar jaarrekening verantwoording af te leggen over de gerealiseerde frictiekosten in het voorgaande boekjaar. Te allen tijde dient de (te) ontvangen bijdrage zichtbaar in de exploitatierekening te worden weergegeven. De rpmi legt na afronding van de reorganisatie verantwoording af over de gerealiseerde frictiekosten als gevolg van de uitvoering van het reorganisatieplan. De verantwoording wordt uiterlijk tweeëntwintig weken na afloop van het desbetreffende boekjaar ingediend en geldt als aanvraag tot vaststelling. De verantwoording is conform het format voor de opgave van gerealiseerde frictiekosten.15Zie bijlage 2 ‘Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 2. Verantwoording gerealiseerde frictiekosten’. De verantwoording wordt vergezeld van een controleverklaring zoals opgenomen in het controleprotocol van deze regeling.16Zie bijlage 1 ‘Controleprotocol Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019’. Het Commissariaat adviseert de Minister binnen twaalf weken na de ontvangst van de verantwoording over de vaststelling van de bijdrage. De Minister stelt binnen acht weken na ontvangst van het advies van het Commissariaat, maar uiterlijk binnen tweeëntwintig weken na indiening van de verantwoording de bijdrage vast. Gelden die niet zijn gebruikt of in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Mediawet 2008, waaronder de voorschriften verbonden aan het ter beschikking stellen ervan, zijn gebruikt of gereserveerd, worden teruggevorderd.17Op grond van artikel 4:87 Algemene wet bestuursrecht geldt voor terugbetaling een termijn van zes weken.

Rechtspraak bij dit artikel