Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Generieke opsporing

Onderdeel van Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 11 juli 2017

Het domein Generieke opsporing is de vreemde eend in de bijt. Dit is niet een domein ontstaan vanuit de inhoud, maar een soort van restcategorie bestaande uit boa’s die veelal algemene opsporingsbevoegdheid hadden. Plaatsing in het domein generieke opsporing vindt alleen dan plaats indien geen van de overige vijf toereikend is voor een adequate taakuitoefening door de boa. De Minister van Justitie en Veiligheid bepaalt door middel van deze beleidsregels welke boa's onder dit domein worden gebracht. De boa generieke opsporing is de boa werkzaam bij of voor een landelijke overheidsinstantie en heeft als werkgever de korpschef van de politie, de hoofdofficier van Justitie van een parket, de commandant van de Koninklijke Marechaussee; de directeur van de rijksrecherche, de directeur van het CJIB of - indien deze niet onder een ander domein te plaatsen is - de directeur van een landelijke (inspectie)dienst. De opsporingsbevoegdheid dient zich te beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket. Deze functie inclusief taakomschrijving dient vooraf door de boa werkgever - in gevallen tevens de direct toezichthouder - te zijn afgestemd met de toezichthouder. Deze afstemming geldt alleen bij een individuele aanvraag en niet bij een individuele aanvraag onder werking van een categoriaal besluit. De toezichthouder ziet erop toe dat de betreffende functie past binnen het boa beleid; functies voor ondersteunende, administratieve, technische, of zeer specialistische taken. De boa-werkgever kan middels het aanvraagformulier aangeven welke opsporingsbevoegdheden zijn gewenst voor de taakuitvoering van zijn boa's. Ook dit geldt overigens alleen bij individuele aanvragen en niet bij een individuele aanvraag onder werking van een categoriaal besluit. Binnen de politieorganisatie kunnen medewerkers en vrijwillige ambtenaren, die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie (AT-aanstelling) worden aangewezen als boa met het oog op het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden. Voor de boa’s in dienst bij de politie blijft uitdrukkelijk gelden dat deze in beginsel ondersteunende, administratief- technische of specialistische taken uitvoeren. In het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is bij een aantal functies in het Domein Uitvoering aanwijzing als boa voorzien. Een aanwijzing als boa kan worden gecombineerd met een aanstelling in één van de hierna genoemde politiefuncties. Voor de vrijwillige ambtenaar van de politie is de aanwijzing als boa mogelijk indien de vrijwilliger werkzaamheden verricht die behoren tot een van de hierna genoemde politiefuncties, te weten: Generalist Meldkamer; Senior Meldkamer; Operationeel Expert Meldkamer; Politie Vlieger; Chef Vlieger; Assistent Intake & Service A; Assistent Intake & Service B; Medewerker Intake & Service; Generalist Intake & Service; Senior Intake & Service; Operationeel Expert Intake & Service. De functies in de hiervoor opgenomen lijst waarop boa’s kunnen worden aangesteld, betreffen administratief-technische functies. Daarnaast zijn bij de politie boa’s werkzaam in functies voor de uitvoering van de politietaak (executieve functies). In beginsel geldt dat een executieve functie wordt verricht door een medewerker aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (executieve aanstelling), terwijl bedoelde boa’s werkzaam in een executieve functie een AT-aanstelling hebben. Op grond van de volgende regelingen van de korpschef van politie kunnen die medewerkers toch in een executieve functie werkzaam zijn: Overgangsbeleid overgang LFNP en plaatsing in de reorganisatie Politiewet 2012 (Stcrt. 2017, 65422); Beleidsregel Overgangsbeleid specifieke inzetbaarheid (Stcrt. 2018, 51200); Beleidsregel inzet binnen het vakgebied Beveiliging en GGP met een aanstelling voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie (Stcrt. 2022, 12671). De medewerkers die vallen onder het bij 1 en 2 genoemde overgangsbeleid bevinden zich in een afgebakende groep. Het bij 1 genoemde overgangsbeleid betreft medewerkers met een AT-aanstelling die in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 per 1 juli 2016 op een executieve functie zijn geplaatst en die daarna niet alsnog aan de vereisten voor een executieve aanstelling hebben kunnen voldaan. Zij voeren slechts een deel van de executieve functie uit en zolang zij in die functie werkzaam blijven en onder het overgangsbeleid vallen, kunnen zij die werkzaamheden met een aanwijzing als boa verrichten. Het onder 2 genoemde overgangsbeleid betreft medewerkers die bij de invoering van de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid per 1 juli 2019 niet executief aangesteld konden worden en hun AT-aanstelling hebben behouden. Zolang zij dezelfde functie uitoefenen en onder het overgangsbeleid vallen, kunnen ook zij hun werkzaamheden met een aanwijzing als boa verrichten. Voor beide regelingen geldt dat geen nieuwe medewerkers met een AT-aanstelling in de executieve functies geplaatst kunnen worden. Dit is anders voor de bij 3 genoemde beleidsregel. Deze beleidsregel is tot stand gekomen omdat is gebleken dat voor bepaalde inzet op functies binnen de vakgebieden Beveiliging en Gebiedsgebonden Politiezorg (GGP) van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie een voltooide politieopleiding als bedoeld in artikel 2c, van het Besluit algemene rechtspositie politie, niet nodig is. Alhoewel die inzet is opgenomen in executieve functies, kunnen de daarbij behorende werkzaamheden met een AT-aanstelling en een aanwijzing als boa worden verricht. In genoemde beleidsregel is opgenomen voor welke inzet de uitzondering geldt. Bij een doorontwikkeling van het functiegebouw zal bekeken worden binnen welke functies die werkzaamheden opgenomen kunnen worden en welke opsporingsbevoegdheid daarvoor nodig is. De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en - indien de boa generieke opsporing beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen - de bekwaamheidseisen uit de RTGB. Het merendeel van de diensten wiens boa’s vallen binnen het domein generieke opsporing beschikt over een eigen opleiding ten behoeve van hun overige werknemers die zich (op grond van artikel 141 Wetboek van Strafvordering) bezig houden met de strafrechtelijke handhaving. Het is de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s generieke opsporing aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Net als voor alle andere boa’s geldt dat de politieboa’s slechts bevoegd zijn voor die feiten die vallen binnen hun taakomschrijving mits wetgeving in formele zin zich hier niet tegen verzet en de boa voldoende bekwaam is om voor die feiten op te treden. Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar. Voor de politiemedewerkers die vanuit de reorganisatie Politiewet 2012 als boa een deel van een executieve politiefunctie gaan vervullen, wordt bij schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bevestigd met welke taken binnen de functie de medewerker belast wordt. De boa Generieke opsporing kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en kan optioneel beschikken over vrijheidsbeperkende middelen, wapenstok, pepperspray, surveillancehond en/of vuurwapen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel