Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Wettelijk kader

Onderdeel van Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 december 2017

Op 1 februari 2016 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Regeling centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking in een categorie 2-geval en levensbeëindiging bij pasgeborenen2Stcrt. 2007, 51. ingetrokken en een nieuwe regeling getroffen voor de beoordeling van gemelde gevallen van late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen. Tegelijk met de nieuwe regeling (verder: de Regeling) is een commissie ingesteld voor de beoordeling van dergelijke gevallen (verder: de Beoordelingscommissie) en is de Centrale deskundigencommissie ontheven van haar taken in deze. In de Regeling zijn de geldende zorgvuldigheidseisen op onderdelen nader geformuleerd en enkele medische en juridische aspecten zijn verhelderd. Aan de Regeling is toegevoegd de beoordeling van late zwangerschapsafbreking in het geval redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ongeborene niet in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven (zogenaamde categorie 1 gevallen, zie art. 2 van de Regeling). De Wet op de Lijkbezorging is van toepassing op alle gevallen van late zwangerschapsafbreking (inclusief de zwangerschapsafbreking op maternale indicatie) en levensbeëindiging bij pasgeborenen. In het geval van een late zwangerschapsafbreking of een levensbeëindiging bij een pasgeborene kan de behandelend arts geen verklaring van natuurlijk overlijden afgeven. Deze overlijdens moeten als een niet-natuurlijke dood door de behandelend arts bij de gemeentelijk lijkschouwer worden gemeld, die vervolgens een eigen lijkschouw verricht en hiervan onverwijld verslag uitbrengt aan de officier van justitie. De officier van justitie beslist dan over het al dan niet afgeven van een verklaring van geen bezwaar tot begraven of verbranding. De officier van justitie onderneemt geen andere actie dan de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tot begraven of verbranding. Dit is anders indien er op dat moment concrete aanwijzingen zijn dat sprake kan zijn van een strafbaar feit en de arts geen beroep toekomt op overmacht in de zin van noodtoestand. De officier van justitie overweegt dan of het noodzakelijk is een opsporingsonderzoek te starten en neemt dan tevens de beslissing op de vraag of een gerechtelijke sectie gelast moet worden. Doet een dergelijk geval zich voor, dan stelt de hoofdofficier van justitie het College hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

Rechtspraak bij dit artikel