Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Herziening voorbelasting bij afschaffing landbouwregeling

Onderdeel van Omzetbelasting, landbouw· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2018

De landbouwer die vanaf 1 januari 2018 op de normale wijze in de btw-heffing wordt betrokken, kan vanaf die datum op de voet van artikel 15 van de wet btw in aftrek brengen. Uiteraard moet om voor aftrek in aanmerking te komen, aan de in artikel 15 van de wet gestelde voorwaarden worden voldaan. Dit betekent onder meer dat de btw die betrekking heeft op goederen en diensten die vóór 1 januari 2018 aan de landbouwer zijn geleverd dan wel aan hem zijn verricht niet voor aftrek in aanmerking komt, ook al wordt die btw aan de landbouwer in rekening gebracht nadat hij op de normale wijze in de btw-heffing is betrokken. Voor nog niet in gebruik genomen goederen en diensten en voor goederen waarvoor herziening mogelijk is met toepassing van de artikelen 11 tot en met 14 van de uitvoeringsbeschikking geldt overgangsrecht (onderdeel 3.2). Een bijzonder geval vormen goederen en/of diensten die opgaan in de landbouwproducten. Deze goederen en diensten zijn als zodanig op 1 januari 2018 niet meer aanwezig omdat ze vóór 1 januari 2018 zijn aangewend voor het telen of voortbrengen van landbouwproducten die na die datum zullen worden geleverd. Voorbeelden zijn zaden, meststoffen, dieren bestemd voor de productie van vlees en veevoeder dat aan die dieren is verstrekt. De btw die aan de landbouwer in rekening is gebracht bij de aanschaf van deze goederen en/of diensten komt alsnog voor aftrek in aanmerking wanneer de bedoelde goederen en/of diensten zijn opgegaan in landbouwproducten die belast met btw worden geleverd (herziening met toepassing van artikel 15, vierde lid van de wet, zie het overgangsrecht in onderdeel 3.2). Op 19 oktober 2017 heeft Hof ’s Hertogenbosch een uitspraak gedaan die van belang is voor de berekening van de herzienings-btw per 1 januari 2018 (datum afschaffing landbouwregeling). In deze procedure ging het over de btw die was begrepen in de opfokkosten van het op de optiedatum aanwezige jongvee, dat nog niet als melkvee in gebruik was genomen en om btw die was begrepen in de op de optiedatum aanwezige, zelf voortgebrachte melkkoeien (zogenoemd gebruiksvee). Het hof heeft geoordeeld dat bij optie om de landbouwregeling niet langer toe te passen deze btw niet kan worden herzien (Hof ’s Hertogenbosch van 19 oktober 2017, nr. 16/00275, ECLI:NL:GHSHE:2017:4577). Dit is anders bij het vee en veevoer genoemd in het hiervoor opgenomen onderdeel ‘In de productie opgegane, niet meer als zodanig aanwezige goederen en/of diensten’. Dat onderdeel ziet op dieren die zijn bestemd voor de productie van vlees (zogenoemd verbruiksvee) en veevoeder dat aan die dieren is verstrekt. De btw die in rekening is gebracht op de kosten voor die dieren en dat veevoer komt – in tegenstelling tot de btw op gebruiksvee waar de procedure over ging – wel voor herziening in aanmerking. Tegen de uitspraak van Hof ’s Hertogenbosch is cassatie ingesteld. Gelet op de overgangsbepaling in artikel V van de Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling (zie noot 1) moet de landbouwer die op 31 december 2017 gebruik maakt van de landbouwregeling de herzienings-btw voor de resterende herzieningsperiode in één keer in aftrek brengen. Dit geldt voor zover deze goederen en diensten voor belaste handelingen zullen worden gebruikt gedurende de periode waarover herziening plaatsvindt. Hij moet dit doen op een aangifte over een door de landbouwer zelf te kiezen belastingtijdvak dat aanvangt in 2018. Met betrekking tot nog niet in gebruik genomen goederen en diensten moet de landbouwer de aangifte uiterlijk indienen in het belastingtijdvak waarin de landbouwer de goederen en diensten in gebruik neemt. Door Stcrt. 2020/41647 vernummerd tot onderdeel 3.1.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel