Naar hoofdinhoud

Artikel 8.54

Invordering bij derden

Onderdeel van Invordering, Leidraad Invordering BES· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 29 maart 2018

De in artikel 8:54 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. Te denken valt aan periodieke uitkeringen, zoals loon, uitkeringen en pensioen, maar ook aan huur- of pachtopbrengsten en aan bedragen die bijvoorbeeld een curator, gerechtsdeurwaarder of notaris voor de belastingschuldige onder zich heeft. Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, geeft de ontvanger mede ter besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag. Als de ontvanger twijfelt of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet hij al naar gelang de omstandigheden beoordelen of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient. De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een beschikking aan degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige. Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan genoemde personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de betekening van een vordering handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van Rv BES. Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in rekening. Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan verrekent de ontvanger de hieruit voortvloeiende teruggaaf of betaalt hij deze uit aan de belastingschuldige. Als de ontvanger een vordering doet op het loon van de belastingschuldige, moet hij rekening houden met de beperking die is geregeld in artikel 1614g van Boek 7A BW BES. Beslag onder de werkgever op het door deze aan de belastingschuldige verschuldigde loon is niet verder geldig dan tot een derde gedeelte van het in geld vastgestelde loon. Als de ontvanger een vordering doet op een andere periodieke uitkering dan loon – bijvoorbeeld een pensioenuitkering – en de belastingschuldige toont aan dat hij en zijn gezin volledig afhankelijk zijn voor hun levensonderhoud van deze periodieke uitkering, kan de ontvanger met overeenkomstige toepassing van de eerste alinea de vordering beperken tot een derde gedeelte van de in geld vastgestelde uitkering. De ontvanger doet dit niet als blijkt dat op het vrijgelaten gedeelte door derden beslag is of wordt gelegd. Als de ontvanger een vordering doet nadat een gerechtsdeurwaarder beslag heeft gelegd, moet de derde de gegevens van de gerechtsdeurwaarder aan de ontvanger doorgeven. De ontvanger informeert daarop de gerechtsdeurwaarder dat hij een vordering heeft gedaan bij de derde. De ontvanger deelt de andere schuldeiser mee dat hij mogelijk enige tijd geen gelden uit zijn derdenbeslag zal ontvangen. De derde moet namelijk, ondanks het beslag, aan de vordering voldoen op grond van artikel 8.54 van de wet. In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn ontstaan na de faillietverklaring maar voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschulden worden aangemeld. De ontvanger splitst – na overleg met de inspecteur – de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid en doet twee aparte vorderingen: één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld; één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt. Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond van artikel 238 Fw BES worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement. Het bepaalde in artikel 8.54.5.1 van de leidraad is op deze schulden en de belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van toepassing. Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening van de vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij bijzondere omstandigheden dit met het oog op het belang van de invordering noodzakelijk maken. In alle situaties waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel