Naar hoofdinhoud

Artikel 8.52

Versnelde invordering

Onderdeel van Invordering, Leidraad Invordering BES· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 29 maart 2018

Artikel 8.52 van de wet noemt de gevallen waarin de ontvanger de bevoegdheid heeft om de betalingstermijn van een belastingaanslag te negeren en tot onmiddellijke invordering dan wel dwanginvordering over te gaan. Dit mag alleen in de volgende situaties: Wanneer de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard. Wanneer de ontvanger aannemelijk maakt dat belastingschuldige de BES eilanden wil verlaten met wegvoering of na vervreemding van zijn goederen. Wanneer op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald, beslag is gelegd voor zijn belastingschuld. Wanneer de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd. Wanneer goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden. Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 8.52, eerste lid, onderdeel d, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige daadwerkelijk onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren) die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als na versnelde beslaglegging blijkt dat de goederen uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 8.52, eerste lid, onderdeel d, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. Als de ontvanger echter verduistering vreest van goederen die daadwerkelijk eigendom zijn van de belastingschuldige, kan hij daarnaast ook op bodemzaken beslag als bij versnelde invordering leggen. Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige – waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – dadelijk en ineens invorderbaar. Het gaat hierbij zowel om materieel verschuldigde belastingen als om belastingen die inmiddels geformaliseerd zijn in een aanslag. Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid voor die derde pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop door die derde. De ontvanger kan in zo’n situatie niet eerder maatregelen treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel