Naar hoofdinhoud

Artikel 8.56

Bodemrecht

Onderdeel van Invordering, Leidraad Invordering BES· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 29 maart 2018

Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom toebehoren aan een derde, is hij op grond van artikel 435, derde lid, Rv BES verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de belastingdeurwaarder. De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip – maar vóór de geplande verkoopdatum –kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum. Als de ontvanger naast zaken van de belastingschuldige ook zaken in beslag heeft genomen waar derden rechten op hebben, vindt uitwinning plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.49.1.1 van deze leidraad. Het beslag dat onder een derde is gelegd ten laste van de belastingschuldige vervalt zodra ten aanzien van de derde-eigenaar het faillissement is uitgesproken. De ontvanger meldt dan zijn vordering ter verificatie aan in het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. De ontvanger beroept zich hierbij op voorrang. Indien de derde meent dat de ontvanger op grond van de in dit artikel neergelegde beleidsregels af moet zien van toepassing van het bodemrecht, kan hij dat schriftelijk aan de ontvanger kenbaar maken. Hij dient dit te doen binnen zeven dagen nadat het beslag aan hem is betekend. De ontvanger schort na ontvangst van de schriftelijke mededeling van de derde de invordering ten aanzien van de bodemzaken in het algemeen op en hij neemt geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de ontvanger het opschorten van de invordering de belangen van de Staat schaadt. De ontvanger maakt zijn beslissing over het afzien van toepassing van het bodemrecht schriftelijk bekend aan de derde. Bij zijn beslissing op het geschrift dat is ingediend tegen de inbeslagneming van bodemzaken ontziet de ontvanger het eigendomsrecht van een derde in die situaties waarin sprake is van reële eigendom van de derde. Indien sprake is van ‘reële eigendom’, zal de ontvanger de in beslag genomen zaken teruggeven. Onder reële eigendom wordt verstaan de situatie waarin de zaken zowel in juridisch als in economisch opzicht aan de derde toebehoren. Dit terughoudende beleid geldt dus niet als de economische verhouding tussen de belastingschuldige en de zaken aanleiding geeft deze als zijn zaken aan te merken. Verhaal op zaken van een derde is dan gerechtvaardigd. Als voorbeelden hiervan kunnen gelden: de situaties waarin zaken zijn geleverd in huurkoop of onder eigendomsvoorbehoud; de gevallen waarin de zaken in fiduciaire eigendom zijn overgedragen; situaties waarin door middel van leasing of andere vormen van huur of bruikleen het economische risico van waardevermindering van de zaken in overwegende mate bij de belastingschuldige ligt. Daarnaast zijn er zes situaties waarin geen sprake is van een terughoudend beleid ondanks dat er sprake kan zijn van reële eigendom van de derde in bovenbedoelde zin. Het betreft: zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld aan de belastingschuldige, terwijl daarnaast tussen de derde en de belastingschuldige een overeenkomst is gesloten waarin een afnameverplichting of afnamebeding ten behoeve van de derde is opgenomen; zaken die toebehoren aan de echtgenoot. Dit geldt uitsluitend voor zaken die in beslag genomen zijn in verband met belastingschuld die materieel is ontstaan in de periode waarin een gezamenlijke huishouding werd gevoerd; zaken waarbij in het kader van samenspanning tussen de belastingschuldige en de derde de juridische eigendomssituatie is gefingeerd om verhaal te bemoeilijken; zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige – hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij daardoor risico’s draagt – in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of gedeeltelijk mist. Dit komt omdat hij dit – in een van de situatie afhankelijke mate – feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder wie de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt, niet denkbaar is; zaken die zijn vervreemd in het kader van de uitoefening van een pandrecht of een ander tot zekerheid strekkend recht (mede) met het oogmerk deze zaken aan verhaal door de ontvanger te onttrekken; Zaken waarvan de lessor fiscaal als eigenaar wordt aangemerkt terwijl de fiscale eigendom van die zaken op een eerder tijdstip krachtens een toen bestaande leaseovereenkomst -waaronder mede begrepen aankoopfinancieringscontracten op basis van verpanding van de verworven zaak- bij de huidige lessee heeft berust.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel