Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen.
Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.
Naast de redenen genoemd in artikel 8.10. van de uitvoeringsregeling wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling ook af in de volgende situaties:
De medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst is naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende.
De belastingschuldige de gevraagde zekerheid niet stelt.
De waarde van vermogensobjecten kan in redelijkheid te gelde worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen.
De berekende betalingscapaciteit is zodanig dat de belastingschuldige de schuld direct kan voldoen.
De betalingsregeling strekt zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare termijn uit.
De betalingsproblemen zijn structureel en een betalingsregeling zal volgens de ontvanger geen uitkomst bieden.
Er is sprake van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek heeft de belastingschuldige uitstel genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald.
Naast de redenen genoemd in artikel 8.18. van de uitvoeringsregeling trekt de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling ook in als:
tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat de belastingschuldige onjuiste gegevens heeft verstrekt;
de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te continueren;
de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is.
Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, kan de ontvanger voordat hij de regeling beëindigt, de belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de achterstand te voldoen.
Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van de beschikking.
Als daarentegen het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en de ontvanger daarvan mededeling heeft gedaan, geldt een wachttijd van tien dagen.
Verkorting of het niet verlenen van de genoemde termijnen vindt onder meer plaats als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad.
Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken, is daardoor het uitstel van rechtswege vervallen.
Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende uitstel schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.
In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaarschrift toe. De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden.
Als de ontvanger uitstel verleent, blijft verrekening van het bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het bezwaarschrift.
De ontvanger kan hiervan afwijken als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet voldoende zekerheid is gesteld. De solvabiliteit van de onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden) belastingschuld kan een aanwijzing zijn voor een dergelijke situatie.
Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking over zijn beweegredenen.
Als de belastingschuldige binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd.
Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf als:
het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht is afgelopen, en
de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend, en
over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige geen verschil van mening bestaat.
De ontvanger beslist – onder door hem te stellen voorwaarden – in het algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het te verrekenen bedrag.
Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De ontvanger kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat.
Als de belastingschuldige de belasting – geheel of gedeeltelijk – niet binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger aan de belastingschuldige op verzoek een betalingsregeling toestaan. De ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.
Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften of betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een betalingsregeling.
De ontvanger staat een betalingsregeling in ieder geval niet toe als de betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of activiteiten van de belastingschuldige die geen perspectief bieden.
Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een betalingsregeling worden getroffen voor zowel particulieren als ondernemers met een looptijd tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag. Hierbij moet aan de volgende cumulatieve voorwaarden zijn voldaan:
De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan $ 20.000. De ontvanger houdt hierbij geen rekening met belastingschulden waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.
De belastingschuldige heeft geen uitstel van betaling voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen in verband met betalingsproblemen of in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag.
De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een dwangschrift is betekend.
Als kort uitstel is verleend op grond van artikel 8.57.4.2 verleent de ontvanger geen nader uitstel meer op grond van hetgeen in de artikelen 8.57.5 en 8.57.6 is bepaald voor een betalingsregeling voor particulieren en ondernemingen.
De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.
Als uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen de hiervoor vermeldde termijnen zijn schuld te betalen, neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing.
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen. In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden.
De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name als het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.
Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren, bedoeld in artikel 8.58.2 van deze leidraad, is vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de belastingschuldige, zijn echtgenoot en de inwonende meerderjarige kinderen, verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.
Een belastingschuldige die uitstel vraagt kan tegelijkertijd een betalingsregeling voorstellen die afwijkt van wat de ontvanger heeft berekend maar waarbij de schuld binnen de maximale termijn wordt afbetaald. Als sprake is van een niet al te grote afwijking hoeft dit niet te leiden tot afwijzing van het verzoek.
De regeling die de belastingschuldige heeft voorgesteld kan voor de ontvanger niet aanvaardbaar zijn terwijl een andere regeling wel ingewilligd kan worden. In dat geval deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.
Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden van de belastingschuldige, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden.
De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden te rekenen vanaf de (laatste) vervaldag van de aanslag. Als een ondernemer door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger op verzoek van een dergelijke belastingschuldige uitstel voor een langere periode verlenen. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde deskundige op verzoek van de ontvanger opgestelde verklaring aannemelijk maken dat sprake is van tijdelijke betalingsmoeilijkheden die hij niet via zakelijke kredietverlening kan oplossen. Ook moet hij aannemelijk maken op welk tijdstip de betalingsachterstand waarvoor uitstel wordt gevraagd uiterlijk zal hebben ingelopen. Daarbij moet hij de ontvanger inzicht bieden in de getroffen en nog te treffen maatregelen die nodig zijn om dit te realiseren, waarbij duidelijk wordt dat sprake is van een levensvatbare onderneming. Deze maatregelen moeten een adequate onderbouwing bieden voor de liquiditeitsprognose aan de hand waarvan de belastingschuldige de betalingsmogelijkheid aannemelijk maakt. Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld.
Bij het verlenen van een betalingsregeling zal de ontvanger in beginsel de voorwaarde stellen dat de ondernemer zekerheid stelt voor de hele schuld waar hij uitstel voor vraagt.
Als de ondernemer op grond van artikel 8.57.6.1, tweede alinea, van deze leidraad in aanmerking komt voor een langere uitstelperiode dan twaalf maanden, kan de ontvanger besluiten gedeeltelijk van het stellen van zekerheid af te zien tot een bedrag van ten hoogste de helft van de schuld waarvoor uitstel wordt gevraagd.
Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt voor particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de ondernemingsperiode.