De belastingschuldige moet het verzoek om kwijtschelding schriftelijk indienen bij de ontvanger.
Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid het formulier alsnog binnen twee weken in te dienen.
In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het verzoek af.
Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. In afwachting daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op.
De ontvanger vraagt de gegevens slechts eenmaal op. Als de belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt, beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij het verzoek af.
Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de leidraad anders is aangegeven.
Als de ontvanger besluit dat hij pas kwijtschelding verleent nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, neemt hij die voorwaarden in de beschikking op.
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening plaatsvindt van uit te betalen bedragen, stelt hij ook de termijn vast waarin verrekening van die bedragen plaatsvindt. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de kennisgeving, dan wel – als dit minder is – de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 8.57 van deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, wordt de vervolging niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Als de weigering van de ontvanger om kwijtschelding te verlenen plaatsvindt bij voor bezwaar vatbare beschikking, geldt in afwijking van de eerste volzin een termijn van twee maanden waarin de ontvanger in beginsel geen onomkeerbare invorderingsmaatregelen neemt. Als er aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kan de ontvanger besluiten om binnen de genoemde termijn van tien dagen, onderscheidenlijk twee maanden, wel invorderingsmaatregelen te treffen.
Naast de redenen genoemd in artikel 8.19 van de uitvoeringsregeling wordt ook geen kwijtschelding verleend als:
de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte formulier (zie ook artikel 8.58.1.1 van deze leidraad) zijn verstrekt;
uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in dat verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet – of naar het oordeel van de ontvanger – in onvoldoende mate verschaft;
de inspecteur een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling heeft genomen, of als een beroepschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij het Gerecht in eerste aanleg of (in hoger beroep) bij het Hof. Een eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag moet namelijk aan kwijtschelding voorafgaan. De ontvanger deelt de belastingschuldige mee dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;
voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;
de ontvanger een derde nog aansprakelijk kan stellen voor de belastingschuld;
het aan de belastingschuldige is toe te rekenen dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daar is onder andere sprake van als:
het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven;
de belastingschuldige een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet heeft gebruikt ter voldoening van de schuld waarvoor hij kwijtschelding heeft gevraagd;
vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is gebleven in verband daarmee middelen te reserveren.
Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige, zijn echtgenoot en de inwonende meerderjarige kinderen, verminderd met de schulden die hoger bevoorrecht zijn dan de BES belastingen.
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan $ 2000 bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, neemt de ontvanger de volle waarde als vermogen in aanmerking.
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van $ 2000 of minder. Als de waarde meer bedraagt, neemt de ontvanger de volle waarde als vermogen in aanmerking.
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger – zo nodig na een verzoek daartoe – aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden worden bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit ze de auto in beginsel zouden kunnen betalen.
De ontvanger neemt incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals vakantiegeld) voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie doet zich met name voor bij de vakantiegelduitkering.
De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet neemt de ontvanger in de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking.
De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden.
Als vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingschuldige betaalt vervolgens de belastingaanslag niet, kan de voortzetting van de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen slijten leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de woning kan voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grote belasting zijn. In die situaties kan de ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien van directe invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen, gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een beslag op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning. Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke situaties.
De ontvanger verleent slechts medewerking aan een akkoord als:
het te ontvangen deel van de belastingschuld:
ten minste het dubbele percentage bedraagt van hetgeen aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen wordt uitgekeerd;
een substantiële omvang heeft, zowel absoluut als in relatie tot de totale belastingschuld, en
van ten minste dezelfde omvang is als kan worden verkregen door middel van executiemaatregelen;
de ontvanger noch in uitkeringspercentage, noch in tempo van betaling wordt achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers;
de belastingschuldige de fiscale verplichtingen die opkomen tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding tijdig en volledig nakomt;
bij voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep van de belastingschuldige na de totstandkoming van het akkoord reële vooruitzichten aanwezig zijn voor de voortzetting van de onderneming.
Voor de berekening van het dubbele percentage dat aan de Belastingdienst moet worden uitgekeerd, brengt de ontvanger op de vorderingen van de concurrente crediteuren eerst in mindering de bedragen die de concurrente crediteuren door zekerheid hebben gedekt. Het begrip ‘ten minste’ verdient in elk geval extra aandacht als in het verleden onevenredige betalingen aan concurrente schuldeisers zijn gedaan.
Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, gaat de ontvanger na of in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot sanering is ontvangen de belastingschuldige wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere crediteuren heeft gedaan. Als hiervan sprake is, moet aan de ontvanger – met doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet worden aangeboden – een hoger percentage dan het dubbele ten goede komen.
De ontvanger kan ook mee werken aan een saneringsakkoord van een rechtspersoon. Hij hanteert daarbij dezelfde voorwaarden als genoemd in hoofdstuk 8, paragraaf 6, titel 3, afdeling 3 van de uitvoeringsregeling en in de artikelen 8.58.3.1. en 8.58.3.2.van deze leidraad. Dat houdt in dat de ontvanger onder dezelfde voorwaarden die gelden voor natuurlijke personen die een onderneming drijven, ook een schuld voor een rechtspersoon kan kwijtschelden.
Artikel 8.58
Kwijtschelding
Onderdeel van Invordering, Leidraad Invordering BES· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 29 maart 2018