Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Binnenvaartwet

Onderdeel van Aanwijzing binnenvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2018

De bestuursrechtelijke handhaving van de BVW is in hoofdzaak opgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT). Naast de aangewezen ambtenaren van de ILT zijn ook ambtenaren in de zin van art. 141 van het Wetboek van Strafvordering en aangewezen ambtenaren van andere diensten (zoals Rijkswaterstaat) met het toezicht op de naleving van de BVW en de Herziene Rijnvaartakte (HRA) belast (art. 40 BVW). Art. 48 van de BVW geeft het overzicht van bepalingen die bestuurlijk beboetbaar zijn. De bijzonderheden met betrekking tot handhaving op de internationale Rijn worden uiteen gezet in hoofdstuk 5 van deze aanwijzing. Slechts enkele in de BVW genoemde gedragingen worden strafrechtelijk gehandhaafd. Van overtreding van de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens de BVW, wordt door de opsporingsambtenaren (art. 45 BVW) proces-verbaal opgemaakt. De strafbare feiten betreffen doorgaans economische delicten als bedoeld in art. 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten (WED).1Dit geldt alleen voor overtredingen buiten de internationale Rijn. Zie hoofdstuk 5. Het strafrecht wordt alleen toegepast bij: gebruik van een schip terwijl het gebruik is onderbroken (art. 17 BVW jo art. 49, tweede lid, BVW); overtredingen rond de klein vaarbewijzen (art. 25 BVW e.v.); gevaar voor de openbare veiligheid (art. 49 BVW) (zie par. 2.2.1). Wanneer door het handelen in strijd met specifieke verbodsbepalingen uit de BVW ‘gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat of kan ontstaan’, worden deze gedragingen aangemerkt als strafbaar feit (overtreding).2De verbodsbepalingen uit de BVW zijn opgenomen in de rangschikking van art. 1, onder 4°, WED. Het begrip ‘gevaar voor de openbare veiligheid’ is noch in de BVW, noch in de memorie van toelichting bij die wet nader omschreven. Voor de invulling van het begrip is in deze beleidsregel aansluiting gezocht bij wet- en regelgeving op het gebied van de externe veiligheid (crisisbeheersing). In die context gaat het doorgaans om ongevallen of ernstige incidenten die een uitstraling hebben naar de omgeving. Onder ‘gevaar voor de openbare veiligheid’ wordt derhalve in deze aanwijzing verstaan: overtredingen, waarbij niet alleen de veiligheid van het schip of zijn bemanning, maar ook die van zijn omgeving gevaar loopt of kan lopen.3Het gros van de bepalingen uit de BVW is naar zijn aard (mede) gericht op de veiligheid van het schip of zijn bemanning. Een bedreiging van de veiligheid van het schip of zijn bemanning mag derhalve licht worden aangenomen. Het zwaartepunt bij de toepassing van het criterium ligt bij het element ‘gevaar voor de omgeving’ (uitstraling naar buiten). Bij omgeving kan onder meer gedacht worden aan de directe omgeving, aan het overige scheepvaartverkeer en aan derden als passagiers, recreanten (zwemmers) of omwonenden.4Passagiers moeten worden beschouwd als ‘derden’. Dat inzicht brengt met zich mee dat bij passagiersvaart al snel sprake zou kunnen zijn van ‘gevaar voor de openbare veiligheid’. Het is echter niet wenselijk om dit in alle gevallen meteen aan te nemen. Of gevaar voor de openbare veiligheid aan de orde is, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. De materiële normen uit de BVW zijn (grotendeels) ontleend aan enkele uitvoeringsregelingen van de HRA.5Het gaat met name om voorschriften ten aanzien van vaartijden, bemanningseisen, radarexamens en technische eisen. Het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 en het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling. Om te voorkomen dat gelijkluidende normen op uiteenlopende wijzen worden gehandhaafd, wordt bij de handhaving van die uitvoeringsregelingen zoveel mogelijk aangesloten bij de praktijk voor de handhaving van de Binnenvaartwet buiten de internationale Rijn. Dit houdt in dat betreffende bepalingen – voor zover zij overeenkomen met hetgeen bij of krachtens de BVW is bepaald – grotendeels bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. In de (bovengenoemde) gevallen waarin strafrechtelijke handhaving aangewezen is, wordt de opsporing en vervolging op de internationale Rijn gebaseerd op art. 32 HRA (zie hoofdstuk 5).6In verband met een voorbehoud in de strafbaarstelling in art. 1, onder 4, WED wordt op de internationale Rijn bij gevaar voor de openbare veiligheid niet vervolgd op grond van art. 49 BVW, maar op grond van artikel 32 HRA en het betreffende voorschrift voor de Rijn. De hoofdregel is dat vervolging wordt ingesteld in het arrondissement waar het delict heeft plaatsgevonden. Daarnaast kan vervolging worden ingesteld in het arrondissement waar de verdachte woont (natuurlijke persoon) of statutair gevestigd is (rechtspersoon). Voor laatstgenoemde mogelijkheid kan echter alleen worden gekozen bij delicten die hebben plaatsgevonden buiten de internationale Rijn (zie hoofdstuk 5).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel