Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Conventionele wateren; Rijnvaart

Onderdeel van Aanwijzing binnenvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2018

Op enkele scheepvaartwegen zijn een specifiek verdrag en bijbehorende voorschriften van toepassing. Dit is bijvoorbeeld het geval op (de Nederlandse delen van) de grenswateren Eems/Dollard, de Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas. Ook op de ‘internationale Rijn’ is een verdrag van kracht. Dit hoofdstuk omvat in het kort het opsporings- en vervolgingsbeleid voor deze conventionele wateren. De Herziene Rijnvaartakte (ook wel: Akte van Mannheim 1868) geldt in Nederland op de Nederlandse Rijn, het Pannerdensch Kanaal, de Lek en de Waal (de zgn. ‘Aktewateren’). Ter uitvoering van het verdrag zijn door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR), het centrale bestuursorgaan in Straatsburg, specifieke voorschriften tot stand gebracht. Deze voorschriften, de internationale reglementen RPR, het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (ROSR) en het Europees Verdrag voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN), zijn gesanctioneerd in de HRA (art. 32). Noch de akte, noch de reglementen regelen de bevoegdheden van toezichthouders en opsporingsambtenaren. De bepalingen uit de nationale wetgeving mogen daarom worden toegepast. Hetgeen voortvloeit uit de HRA voor de binnenvaart op de internationale Rijn heeft op grond van de art. 93 en 94 van de Grondwet voorrang op de nationale regelgeving, mochten deze regelingen met elkaar conflicteren. Het OM handhaaft de vigerende voorschriften op de internationale Rijn met inachtneming van de kaders die voortvloeien uit de HRA. Zo kent art. 32 HRA uitsluitend een geldboete als sanctie. Dit betekent dat bij overtredingen op de internationale Rijn geen ruimte is voor oplegging van vervangende hechtenis.22Zie het arrest van de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart d.d. 3 december 1997 NJ 1998/245 en het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 juni 1998 nr. 105.384 NJ 1998/858. Art. 24c Sr moet dan ook ingevolge art. 94 Grondwet buiten toepassing blijven. Hetzelfde geldt voor het opleggen van taakstraffen of verbeurdverklaring. Ook kan de op een rijnpatent berustende vaarbevoegdheid niet door de rechter worden ontzegd (zie par. 2.4.2 van hoofdstuk 4). De op te leggen geldboete is voorts gemaximeerd. De maximum geldboete bedraagt 25.000 euro.23Voor die datum bedroeg het maximum 2.500 bijzondere trekkingsrechten op het Internationaal Monetair Fonds (omgerekend naar euro’s circa 2.750 euro). De verhoging van het maximum volgt uit het Aanvullend Protocol nr. 6, ondertekend te Straatsburg op 21 oktober 1999, in werking getreden op 1 november 2011. Met deze kanttekeningen geldt het in deze aanwijzing opgenomen beleid mutatis mutandis voor de aktewateren. Als gevolg van een aantal wetswijzigingen (onder andere de invoering van de BVW) komt de regelgeving voor de aktewateren en niet-aktewateren de laatste jaren steeds meer overeen. Mocht er nog sprake zijn van verschillen, dan kan toepassing van de voorschriften tot ongewenste situaties leiden voor schepen die de aktewateren bevaren, maar de grens met Duitsland niet passeren noch hebben gepasseerd. Voor dit zogenoemde ‘Rijnkruisend scheepvaartverkeer’ worden afwijkingen toegestaan, mits wordt voldaan aan de (voor de niet-akte wateren geldende) bepalingen bij of krachtens de BVW. Deze aanwijzing geldt mutatis mutandis voor (de Nederlandse delen van) de grenswateren Eems/Dollard, de Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas. Waar in deze aanwijzing wordt uitgegaan van een overtreding van een voorschrift in het BPR, respectievelijk het RPR, dient op de genoemde grenswateren conform deze aanwijzing te worden gehandeld voor zover de gedraging is te herleiden tot een overeenkomstige overtreding in het desbetreffende scheepvaartreglement.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel