Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Maatregelen

Onderdeel van Aanwijzing binnenvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2018

Soms vraagt de ernst van de situatie om onmiddellijk ingrijpen. Toezichthouders en opsporingsambtenaren staat een aantal maatregelen ter beschikking om ongewenste situaties te beëindigen en om te voorkomen dat betrokkene meteen in ongewenst gedrag vervalt. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden om een schip stil te leggen (par 4.1.) en om een tijdelijk vaarverbod op te leggen (par. 4.2). De invordering en inhouding worden achtereenvolgens toegelicht in paragraaf 4.3.1 en 4.3.2; de ontzegging wordt behandeld in paragraaf 4.3.3. Bestuursorganen, toezichthouders en opsporingsambtenaren beschikken over verschillende mogelijkheden om een schip voor korte of langere tijd stil te leggen. Veelal kan een passende maatregel worden getroffen door een toezichthouder of bestuursorgaan.11Denk aan het stilleggen ter controle (5:19 AWB), het geven van een verkeersaanwijzing (art. 9 SVW), het onderbreken van het gebruik wegens de staat van het schip (art. 17 BVW), het stilleggen van werk en het bevel de arbeid te staken (art. 28 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, art. 8:1 Arbeidstijdenwet), het opleggen van een last onder bestuursdwang (art. 25 SVW) of het toepassen van bestuursdwang (o.a. art. 44 BVW). Om die reden wordt in eerste instantie getracht de ongewenste situatie langs die weg te beëindigen. Dit uitgangspunt geldt temeer ten aanzien van wet- en regelgeving die primair bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd, zoals de BVW. Als een interventie door een bestuursorgaan of toezichthouder niet mogelijk is, kan op grond van art. 9 SVW een verkeersaanwijzing worden gegeven of kan op grond van art. 28 WED een voorlopige maatregel worden bevolen. In het uiterste geval kan een ambtenaar van politie – op grond van art. 3 van de Politiewet 2012 – een schipper vorderen het schip stil te leggen, al dan niet op een aangewezen ligplaats. Dit laatste is slechts mogelijk in bijzondere gevallen. Het stilleggen van schepen is een ingrijpende handeling, zodat aan het gebruik van de bevoegdheid steeds een redelijkheidsafweging vooraf dient te gaan, waarbij rekening wordt gehouden met aan een stillegging verbonden gevolgen (proportionaliteit). Op basis van art. 29, eerste lid, SVW is het mogelijk om, kort samengevat, een vaarverbod op te leggen. In de onderstaande tabel staat het aantal op te leggen uren vaarverbod in relatie tot het aantal microgrammen per liter uitgeademde lucht. Tabel vaarverbod (0,5‰ – 220 µg/l) 000 – 220 µg/l geen 790 – 805 µg/l 9 uur* 1.391 – 1.455 µg/l 19 uur* 221 – 285 μg/l 1 uur 806 – 870 µg/l 10 uur* 1.456 – 1.520 µg/l 20 uur* 286 – 350 μg/l 2 uur 871 – 935 µg/l 11 uur* 1.521 – 1.585 µg/l 21 uur* 351 – 415 µg/l 3 uur 936 – 1.000 µg/l 12 uur* 1.586 – 1.650 µg/l 22 uur* 416 – 480 µg/l 4 uur 1.001 – 1.065 µg/l 13 uur* 1.651 – 1.715 µg/l 23 uur* 481 – 545 µg/l 5 uur 1.066 – 1.130 µg/l 14 uur* 1.716 µg/l en hoger 24 uur* 546 – 610 µg/l 6 uur 1.131 – 1.195 μg/l 15 uur* 611 – 675 µg/l 7 uur 1.196 – 1.260 µg/l 16 uur* * Tevens invordering vaarbewijs bij: – snelle motorboten (recreatievaart) – binnenvaarschepen in geval van recidive (beroepsvaart) 676 – 740 µg/l 8 uur 1.261 – 1.325 µg/l 17 uur* 741 – 785 µg/l 9 uur 1.326 – 1.390 µg/l 18 uur* Kort samengevat kan de houder van een vaarbewijs de bevoegdheid tot het voeren van schepen worden ontzegd in bepaalde gevallen van: risicovol vaargedrag met een snelle motorboot, of varen onder invloed met een snelle motorboot, of herhaaldelijk varen onder invloed met een schip in de beroepsvaart. 12Zie art. 35b, eerste lid, SVW. In de opmaat naar een ontzegging wordt het vaarbewijs ingevorderd door een opsporingsambtenaar. De officier van justitie is bevoegd ingevorderde vaarbewijzen onder zich te houden (‘inhouding’). Vaarbewijzen worden enkel ingevorderd door ambtenaren belast met een algemene opsporingstaak (art. 141 Sv).13De vordering tot overgifte van het vaarbewijs kan wettelijk ook worden gedaan door buitengewone opsporingsambtenaren (art. 142 Sr). Die zijn echter niet bevoegd om ademtesten af te nemen (van betrokkene medewerking te vorderen aan een adem- of bloedonderzoek in de zin van art. 28 en 28a SVW). Om deze en andere praktische redenen hanteert het OM daarom het uitgangspunt dat vaarbewijzen in de regel worden ingevorderd door ambtenaren belast met een algemene opsporingstaak. Maakt de opsporingsambtenaar (art. 141 Sv) tegen de houder van een vaarbewijs een proces-verbaal op wegens overtreding van een voorschrift als bedoeld in art. 35b, eerste lid, SVW, dan gaat hij in de volgende situaties tevens over tot invordering van het vaarbewijs14Art. 35a, eerste lid, SVW is afgeleid van het eerste lid van art. 164 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Waar laatstgenoemd art. aan de opsporingsambtenaar de invordering bij de daar omschreven overtredingen verplicht voorschrijft, is met art. 35a SVW slechts een bevoegdheid tot invorderen gecreëerd. Mede gelet op de ernst van de overtredingen gaat het OM in navolging van art. 164 WVW 1994 hier uit van een invorderingsplicht.: Indien bij onderzoek is gebleken, of bij ontbreken van dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van degene die een schip voert of stuurt, hoger is dan 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van zijn bloed hoger blijkt te zijn dan 1,8 milligram alcohol per milliliter bloed. Er wordt echter alleen ingevorderd in geval van varen onder invloed met snelle motorboten of met schepen in de beroepsvaart (recidive). Indien met een zodanige snelheid is gevaren dat ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen is ontstaan. Er wordt echter alleen ingevorderd in geval van snelheidsovertredingen begaan met snelle motorboten. Een ontzegging wegens gevaarlijk vaargedrag kan namelijk uiteindelijk enkel worden opgelegd voor het (doen) voeren van dat type schip (art. 35b, eerste lid, onder a, SVW). Indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder15Hieronder moet blijkens de toelichting niet alleen de feitelijk bestuurder worden verstaan, maar ook de gezag voerend vaarbewijshouder. opnieuw een feit als bedoeld in art. 35b, eerste lid, SVW zal begaan. Het gaat met name om een vermoeden dat er door of onder verantwoordelijkheid van de houder van het vaarbewijs wederom gevaarlijk vaargedrag zal worden vertoond of onder invloed zal worden gevaren. De opsporingsambtenaar moet nadrukkelijk de overgifte van het vaarbewijs vorderen. Tevens wordt de verdachte er op gewezen dat hij zich schuldig maakt aan overtreding van art. 184 Sr, indien hij geen gevolg geeft aan de vordering. De invordering is overigens pas voltooid op het moment dat het vaarbewijs in handen komt van de opsporingsambtenaar.16Het is van belang onderscheid te maken tussen ‘de vordering tot overgifte’ enerzijds en de ‘invordering’ anderzijds. Pas bij een voltooide invordering kan de aftrek ex art. 35b, derde lid, SVW worden toegepast. De vordering tot overgifte is overigens niet beperkt tot het tijdstip waarop en de plaats waar de verdachte is aan- of staande gehouden, maar kan ook daarna nog worden gedaan (Vgl. HR 31 januari 1961, NJ 1961, 207). Nadat het proces-verbaal van overtreding/misdrijf is voorzien van een datum van sluiting vervalt echter de bevoegdheid tot het doen van de vordering tot overgifte (Vgl. HR 21 oktober 1958, NJ 1959, 5). Indien na de vordering tot overgifte geen vaarbewijs wordt afgegeven, wordt (in plaats van een proces-verbaal van invordering) een proces-verbaal van de vordering tot overgifte opgemaakt. De houder van het vaarbewijs wordt er door de opsporingsambtenaar op gewezen dat de geldigheid van zijn ingevorderde, maar nog niet overhandigde, vaarbewijs van rechtswege is geschorst (art. 24a BVB).17De formulering van art. 24a BVB is enigszins gemankeerd. De bedoeling van de regelgever is evenwel evident: de geldigheid van het vaardocument is van rechtswege geschorst vanaf de vordering tot overgifte. Het kan zijn dat de houder van het vaarbewijs geen vaarbewijs kan afgeven, omdat dit vermist of gestolen is. In dat geval wordt een kopie van de aangifte van de vermissing/diefstal van het vaarbewijs bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte gevoegd.18Alternatief kan een door de verbalisant bevestigde opmerking van aangifte/vermissing bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte worden gevoegd. Ook kan van de diefstal/vermissing melding worden gemaakt in het proces-verbaal van de vordering tot overgifte. Er dient géén proces-verbaal te worden opgemaakt voor overtreding van art. 184 Sr, indien het niet voldoen aan de vordering verdachte niet kan worden verweten. Het betreft dan omstandigheden op grond waarvan verdachte niet tijdig heeft kunnen zorgen voor een vervangend vaarbewijs.19Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO5324. De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering over de inhouding van het vaarbewijs (art. 35a, tweede en derde lid, SVW).20Deze wettelijke termijn geldt alleen voor ingevorderde (gevorderde én overhandigde) vaarbewijzen. Voor de inhoudelijke criteria op grond waarvan de officier van justitie tot inhouding van het vaarbewijs kan besluiten, wordt verwezen naar artikel 35a, tweede lid, SVW. De officier van justitie geeft het ingevorderde vaarbewijs onverwijld terug aan de houder: indien hij (met inachtneming van de Algemene termijnenwet) binnen tien dagen na de dag van invordering geen toepassing geeft aan zijn bevoegdheid om het vaarbewijs onder zich te houden; indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van een schip zal worden opgelegd, of geen onvoorwaardelijke ontzegging zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd gedurende welke het vaarbewijs is ingevorderd of ingehouden geweest; indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen. In geval van niet voltooide invorderingen, hoeft de officier van justitie ook niet te beslissen op de vraag of hij het vaarbewijs onder zich wenst te houden (hem heeft immers geen vaarbewijs bereikt). De wettelijke beslistermijn van tien dagen (tevens teruggavegrond) is niet van toepassing. Wel wordt na ontvangst van het proces-verbaal van de vordering tot overgifte door of namens de officier bij het register melding gedaan van de vordering (zie par. 3.4.1). Het vaarbewijs van betrokkene is van rechtswege geschorst. Indien een gevorderd, maar niet overhandigd vaarbewijs later alsnog wordt overgedragen aan de officier van justitie, dient deze zo spoedig mogelijk te beslissen over de inhouding. Daarbij wordt de procedure ten aanzien van de invordering van het vaarbewijs in acht genomen. Bij snelle motorboten21Het begrip ‘snelle motorboot’ is gedefinieerd in art. 1, eerste lid, onder u, SVW en het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Waterscooters vallen ook onder de omschrijving. Het begrip ‘snelle motorboot’ is situationeel bepaald: het gaat om de combinatie van vaartuig en motor. Als aan een roeiboot een zware motor wordt bevestigd, is op dat moment sprake van een snelle motorboot. Dit kan zich ook voordoen wanneer een lichte motor van een kleine motorboot wordt vervangen door een zware motor. is een ontzegging mogelijk wegens: Risicovol vaargedrag Het betreft het op de binnenwateren (doen) voeren van een snelle motorboot in strijd met voorschriften gesteld krachtens art. 4, eerste lid, onderdelen a en d, en derde lid, SVW. Daarmee wordt gedoeld op de voorschriften die zijn opgenomen in de SVW en de scheepvaartreglementen (het RPR, BPR, Scheepvaartreglement voor het kanaal van Gent naar Terneuzen etc.). In de praktijk zal het vaak gaan om het niet opvolgen van verkeersaanwijzingen, hinderlijke vaarbewegingen en overschrijding van de maximumsnelheid. Belangrijke voorwaarde is dat ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen is ontstaan. Indicatoren voor de gevaarzetting zijn onder meer (de kans op) schade en letsel, de omgeving en samenloop met andere feiten. Varen onder invloed Ook voor het op de binnenwateren (doen) voeren van een snelle motorboot in strijd met art. 27 SVW kan een ontzegging worden gevorderd. Voor de situaties waarin dit geïndiceerd is, wordt verwezen naar de Richtlijn voor Strafvordering Binnenvaart. Er hoeft geen sprake te zijn van recidive. Voor aangewezen schepen kan bij herhaaldelijke overtreding van het verbod uit art. 27 SVW een ontzegging worden gevorderd. Daarbij moet worden voldaan aan de volgende criteria: Aangewezen vaarbewijs. Het moet gaan om een schip waarvoor een bij ministeriële regeling aan te wijzen vaarbewijs is vereist (zie art. 7.9b, eerste lid, BVR). Varen onder invloed. De ontzegging is alleen mogelijk wegens het (doen) voeren van een schip in strijd met art. 27 SVW. Dit betreft zowel alcohol als andere stoffen die de vaardigheid voor het voeren of sturen van het schip, dan wel de bekwaamheid tot het adviseren van de kapitein of de verkeersdeelnemer, kan verminderen. Herhaaldelijk: er moet sprake zijn van recidive. Hierbij wordt gekeken naar eerdere voldane transacties/strafbeschikkingen of veroordelingen wegens (doen) varen onder invloed (art. 27 SVW) gedurende een periode van vijf jaar voorafgaande aan de overtreding. Beroepsvaart. Op basis van de wettekst is het mogelijk om ook in de recreatievaart een ontzegging van de vaarbevoegdheid te vorderen wegens herhaaldelijk varen onder invloed (het klein vaarbewijs en het zeilbewijs zijn immers aangewezen).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel