**1.** De energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong ingezet voor de productie van een conventionele vervoersbrandstof of een biobrandstof, waarvoor bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud vermeldt, wordt door de inboeker ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de verbrandingswaarde van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
**2.** De energie-inhoud als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van een monstername die representatief is voor de ingezette hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong. Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE. De monstername gebeurt volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171 en door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd. Een analyse gebeurt onder ISO-/IEC 17025 door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet
milieubeheer, enz. (implementatie Richtlijn (EU) 2023/2413
(bevordering energie uit hernieuwbare bronnen)) in werking treedt.
Hoofdstuk 2 › § 1
Artikel 27
Artikel 27
Onderdeel van Regeling energie vervoer· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 20 juni 2026